|
Hoofdstuk II - De raad voor maatschappelijk welzijn
AFDELING
I - Samenstelling en vorming van de raad voor maatschappelijk welzijn
AFDELING
II - Werking van de raad voor maatschappelijk welzijn
.........................
AFDELING I - Samenstelling en vorming van de raad voor
maatschappelijk welzijn
Art.
6.
§ 1.
Het [...] openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt bestuurd
door een raad voor maatschappelijk welzijn bestaande uit:
- 9 leden voor een bevolking die de 15 000 inwoners niet overschrijdt;
- 11 leden voor een bevolking van 15 001 tot 50 000 inwoners;
- 13 leden voor een bevolking van 50 001 tot 150 000 inwoners;
- 15 leden voor een bevolking van meer dan 150 000 inwoners.
Elk werkend lid heeft een of meer opvolgers.
(W. 5.8.1992 - art. 4, 1° - B.S. 8.10.1992)
§
2.
[...]
Opgeheven
(W. 5.8.1992 - art. 4, 2° - B.S. 8.10.1992)
§
3.
[Voor het bepalen van het aantal leden wordt het bevolkingscijfer in
aanmerking genomen dat als basis gediend heeft voor het bepalen van de
samenstelling van de gemeenteraad, die de raad voor maatschappelijk
welzijn kiest.]
(W. 5.8.1992 - art. 4, 3° - B.S. 8.10.1992)
§
4.
[Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, de raad
voor maatschappelijk welzijn geen enkel lid van de Nederlandse of geen
enkel lid van de Franse taalaanhorigheid telt, maakt het eerste niet
verkozen gemeenteraadslid dat behoort tot de niet in de raad voor
maatschappelijk welzijn vertegenwoordigde taalgroep, er van rechtswege
deel van uit, in afwijking van artikel 11; het aantal leden bepaald in
§ 1 wordt in dit geval vermeerderd met één eenheid.
[...]
Opgeheven
(W. 5.8.1992 - art. 4, 4° - B.S. 8.10.1992)
In alle gevallen wordt de taalaanhorigheid van de belanghebbende
vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis van de gemeentekieswet.]
(W. 16.6.1989 - art. 4 - B.S. 17.6.1989)
Art.
7.
Om tot werkend lid van een raad voor maatschappelijk welzijn of tot
opvolger te kunnen gekozen worden moet men, op de dag van de verkiezing,
[gemeenteraadskiezer zijn], ten minste [achttien] jaar zijn, zijn hoofdverblijf
hebben in de gebiedsomschrijving van het centrum en zich niet bevinden in
een der gevallen van onverkiesbaarheid bepaald bij artikel 66 van de
gemeentekieswet.
(D. 18.5.1999 - art. 2 - B.S. 30.6.1999)
(W. 5.8.1992 - art. 5 - B.S. 8.10.1992)
Het tweede lid van dit artikel 66 is eveneens van toepassing wanneer
de door deze bepaling bedoelde inbreuken gepleegd werden in de
uitoefening van eender welk ander openbaar ambt.
Art.
8.
Werkende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn mogen geen bloed-
of aanverwanten zijn tot en met de tweede (W.decr. 17.7.2000, B.S.
11.8.2000 - treedt in werking bij de eerstvolgende algehele vernieuwing
van de raden voor maatschappelijk welzijn) graad, noch door de echt
verbonden zijn) [, noch wettelijk samenwonen.](W.decr. 17.7.2000,
B.S. 11.8.2000 - treedt in werking bij de eerstvolgende algehele
vernieuwing van de raden voor maatschappelijk welzijn)
Aanverwantschap die na de verkiezing tot stand komt onder de leden van de
raad, stelt geen einde aan hun mandaat.
Tussen als werkend lid verkozen personen wordt de orde van voorrang
geregeld overeenkomstig de met toepassing van artikel 15 bepaalde
verkiezingsrang. Het werkend lid geniet voorrang op degene die door
opvolging lid van de raad wordt. Tussen personen die gelijktijdig door
opvolging lid van de raad worden, wordt de voorrang bepaald door de
verkiezingsrang van de werkende leden tot wier opvolging zij geroepen
worden.
Art.
9.
Mogen geen deel uitmaken van de raad voor maatschappelijk welzijn:
a) de provinciegouverneurs, de leden van de bestendige deputaties, de
provinciegriffiers en de arrondissementscommissarissen;
b) de burgemeesters en de schepenen, alsmede de leden van de colleges van
federaties van gemeenten en agglomeraties;
c) met toepassing van de artikelen 293 en 300 van het Gerechtelijk
Wetboek, betreffende de onverenigbaarheden, de leden van de hoven,
rechtbanken, parketten en griffies;
d) de ambtsdragers bij de Raad van State, overeenkomstig de bepalingen
van hoofdstuk VIII van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
betreffende de onverenigbaarheden en tucht;
e) [de leden van het personeel van het Rijk, de Gemeenschappen, de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel-Hoofdstad en de
provincies, die belast zijn met een leidinggevende functie en
rechtstreeks deelnemen aan het uitoefenen van de controle of het toezicht
op het betrokken centrum alsmede het personeel van de door het centrum
bediende gemeente, met uitzondering van het personeel van het
gemeentelijk onderwijs;]
(W. 5.8.1992 - art. 6 - B.S. 8.10.1992)
f) [de door het centrum bezoldigde personeelsleden alsmede alle overige
in artikel 49, § 4, bedoelde personen die er werkzaam zijn.].
(W. 29.12.1988 - art. 1, 2° - B.S. 4.1.1989)
[g) elke persoon die een ambt of een mandaat uitoefent dat gelijkwaardig
is aan dat van werkend lid van de raad voor maatschappelijk welzijn in
een lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie.
De Vlaamse regering stelt een enuntiatieve lijst op van ambten of
mandaten die als gelijkwaardig worden beschouwd.]
(D. 18.5.1999 - art. 4,1° - B.S. 30.6.1999)
[De bepalingen van het eerste lid, a) tot d), zijn eveneens van
toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie die in
België verblijven voor de uitoefening in een andere Lid-Staat van de
Europese Unie van ambten die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze
bepalingen.]
(D. 18.5.1999 - art. 4,2° - B.S. 30.6.1999)
Art.
10.
De raad voor maatschappelijk welzijn mag ten hoogste voor
één derde bestaan uit gemeenteraadsleden die hun mandaat
binnen de gebiedsomschrijving van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn uitoefenen.
[Deze bepaling heeft geen uitwerking tussen de datum van het in functie
treden van de gemeenteraad, verkozen na een volledige hernieuwing, en de
aanvang van het mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk
welzijn, bepaald in artikel 19.]
(D. 5.4.1995 - art. 2 - B.S. 26.8.1995)
Art.
11.
§ 1. [De kandidaat-werkende leden en de kandidaat-opvolgers worden
schriftelijk voorgedragen door één of meer gemeenteraadsleden;
de kandidaten stemmen in door een ondertekende verklaring op de akte van
voordracht. De burgemeester, bijgestaan door de gemeentesecretaris en in
tegenwoordigheid van een gemeenteraadslid van elke politieke fractie die
een kandidatenlijst indient, neemt de akten van voordracht in ontvangst.]
(W. 5.8.1992 - art. 7, 1° - B.S. 8.10.1992)
§
2. De leden van de raad van het [...] openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn worden gekozen door de gemeenteraad van de
gemeente die de gebiedsomschrijving van het centrum vormt. De
burgemeester kondigt onmiddellijk de verkiezingsuitslag af.
(W. 5.8.1992 - art. 7, 2° - B.S. 8.10.1992)
§
3. [...]
Opgeheven
(W. 5.8.1992 - art. 7, 3° - B.S. 8.10.1992)
§
4. De Koning bepaalt de nadere regels en de procedure die in acht moeten
worden genomen bij de indiening van de kandidatenlijsten en bij de
verkiezingen.
§
5. [In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest kan in de
voordrachten, bedoeld in § 1, melding worden gemaakt van de
taalaanhorigheid van de kandidaten.
De taalaanhorigheid wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 23bis,
§ 2, van de gemeentekieswet met dien verstande dat in het eerste
lid, 3°, van deze bepaling, de woorden "twee aftredende
gemeenteraadsleden" vervangen worden door de woorden "twee
aftredende leden van de raad voor maatschappelijk welzijn".
De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de modaliteiten en
de procedure voor de behandeling van de klachten met betrekking tot de
toetsing van de taalaanhorigheid; wanneer wordt vastgesteld dat de
voorwaarden bedoeld in het tweede lid, niet zijn vervuld, wordt de
vermelding van de taalaanhorigheid geschrapt.]
(W. 16.6.1989 - art. 5 - B.S. 17.6.1989)
Art.
12.
De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft
plaats [in openbare vergadering] de derde maandag nadat de gemeenteraad
[die tot de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn moet
overgaan geïnstalleerd is]. Indien die datum op een wettelijke
feestdag valt, wordt de verkiezing verschoven naar de eerstvolgende
werkdag.
(W. 5.8.1992 - art. 8 - B.S. 8.10.1992)
(W. 29.12.1988 - art. 2 - B.S. 4.1.1989)
Art.
13.
Voor de verkiezing van leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
heeft elk gemeenteraadslid één stem indien er minder dan
vier leden te verkiezen zijn, drie stemmen indien er vier of vijf leden
te verkiezen zijn, vier indien er zes of zeven, vijf indien er acht of
negen, zes indien er tien of elf en acht indien er twaalf of meer leden
te verkiezen zijn.
Art.
14.
De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn
geschiedt bij geheime stemming en in één enkele stemronde.
Elk gemeenteraadslid ontvangt zoveel stembiljetten als hij stemmen heeft.
Op elk stembiljet brengt hij een stem uit voor een werkend lid. [...]
De gemeenteraadsleden kunnen hun stem geldig uitbrengen ten gunste van
een bloed- of aanverwant.
(W. 29.12.1988 - art. 3 - B.S. 4.1.1989)
Art.
15.
[De kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen, zijn verkozen tot
werkende leden.]
Bij staking van stemmen wordt voorrang verleend in de volgende orde:
1° aan de kandidaat die, op de dag van de verkiezing, een mandaat in
een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bekleedt. Zijn twee of
meerdere kandidaten in dat geval, dan wordt voorrang verleend aan hem die
zijn mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend;
(W. 29.12.1988 - art. 4, 1° - B.S. 4.1.1989)
2° aan de kandidaat die vroeger een mandaat in een openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn heeft uitgeoefend. Zijn twee of meerdere
kandidaten in dat geval, dan wordt de voorrang gegeven aan hem die zijn
mandaat onafgebroken het langst heeft uitgeoefend en, bij gelijke duur,
aan hem die het laatst is afgetreden;
3° aan de oudste kandidaat in jaren die de leeftijd van zestig jaar niet
heeft bereikt;
4° aan de jongste in jaren van de kandidaten die de leeftijd van
zestig jaar hebben bereikt.
Wie zou verkozen zijn, doch wiens verkiezing vernietigd wordt wegens
onverkiesbaarheid, wordt vervangen door zijn opvolger.
[De kandidaten die als opvolgers van een verkozen werkend lid werden
voorgedragen, zijn van rechtswege de opvolgers van het voornoemde lid.]
(W. 29.12.1988 - art. 4, 2° - B.S. 4.1.1989)
Art.
16.
[Dezelfde persoon kan opvolger van twee of meer werkende leden zijn.
Evenzo kan elk werkend lid twee of meerdere opvolgers hebben die zijn
voorbestemd om hem te vervangen in de orde die gevolgd werd bij de
voordracht van hun kandidaturen.]
(W. 29.12.1988 - art. 5 - B.S. 4.1.1989)
Art.
17.
Wanneer een werkend lid vóór het verstrijken van zijn
mandaat ophoudt deel uit te maken van de raad voor maatschappelijk
welzijn en hij geen opvolger meer heeft, kunnen alle nog in functie
zijnde gemeenteraadsleden die de voordracht van het te vervangen lid
hadden ondertekend, gezamenlijk een kandidaat-werkend lid en een of meer
kandidaat-opvolgers voordragen. In dit geval zijn deze kandidaten gekozen
verklaard, de kandidaat-opvolgers in de orde van hun voordracht.
Is zulks niet het geval, dan wordt in de vervanging voorzien bij een geheime
stemming waarbij elk gemeenteraadslid over één stem
beschikt en de kandidaat die de meeste stemmen behaalde als verkozen
wordt verklaard; bij staking van stemmen, is artikel 15 van toepassing.
[Art.
17bis.
In afwijking van de artikelen 11 tot en met 17 worden de leden van de
raad voor maatschappelijk welzijn van de randgemeenten, bedoeld in
artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en
Voeren, rechtstreeks gekozen door de vergadering van de
gemeenteraadskiezers.
De verkiezing van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn heeft
plaats dezelfde dag als de gemeenteraadsverkiezingen.
De Koning stelt de nadere regels vast voor die verkiezing, naar analogie
van de procedure bedoeld in de gemeentekieswet voor de verkiezing van de
gemeenteraadsleden.]
(W. 9.8.1988 - art. 11 - B.S. 13.8.1988)
Art.
18.
Het dossier van de verkiezing van de leden van de raden voor
maatschappelijk welzijn en hun opvolgers wordt onverwijld toegezonden aan
de bestendige deputatie.
Elk bezwaar tegen de verkiezing moet, op straffe van verval, schriftelijk
bij de bestendige deputatie worden ingediend binnen tien dagen volgend op
de afkondiging van de verkiezingsuitslag.
[Ongeacht of bij haar bezwaar is ingediend of niet, doet de bestendige
deputatie als administratief rechtscollege uitspraak over de geldigheid
van de verkiezing binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier en
herstelt, in voorkomend geval, de bij het vaststellen van de
verkiezingsuitslag begane vergissingen.] Indien binnen deze termijn geen
uitspraak is gedaan, wordt de verkiezing als regelmatig beschouwd.
(W. 22.3.1999 – art.3 - B.S. 14.4.1999)
Het feit dat de verkiezing geldigheid heeft verkregen door het
verstrijken van de termijn of de beslissing van de bestendige deputatie,
wordt door de zorg van de gouverneur medegedeeld aan de gemeenteraad
[...] en aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Er wordt
bij ter post aangetekende brief kennis van gegeven aan de leden en
opvolgers wier verkiezing werd vernietigd, aan de opvolgers wier
verkiezingsrang werd gewijzigd en aan de personen die bezwaren hebben
ingediend.
De in het voorgaande lid bedoelde natuurlijke en rechtspersonen kunnen
bij de Raad van State beroep instellen binnen vijftien dagen na de
mededeling of de kennisgeving. De gouverneur kan een zelfde beroep
instellen binnen vijftien dagen na de beslissing van de bestendige
deputatie of na het verstrijken van de termijn.
Binnen acht dagen na ontvangst van ieder beroep dat bij de Raad van State
wordt ingesteld, deelt de hoofdgriffier van dit rechtscollege zulks mede
aan de provinciegouverneur, alsmede aan het betrokken openbaar centrum
voor maatschappelijk welzijn en aan de [ gemeenteraad]. Hij deelt hun het
arrest van de Raad van State mede.
Wanneer een vernietiging definitief geworden is, wordt tot een nieuwe
verkiezing overgegaan. In dit geval is artikel 12 van toepassing met dien
verstande dat de termijn slechts een aanvang neemt de dag volgend op die
waarop de vernietiging aan de betrokken gemeenteraad werd medegedeeld.
(W. 5.8.1992 - art. 9, 2° - B.S. 8.10.1992)
[Art.
18bis.
§ 1. In afwijking van artikel 18 is de in de artikelen 74 tot en met
77 van de gemeentekieswet bepaalde regeling van de beroepen betreffende
de verkiezing van de gemeenteraad, van overeenkomstige toepassing voor de
geschillen betreffende de verkiezing van de raad of van het vast bureau
van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een
randgemeente bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de
talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en van de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren.
§
2. In geval van een geschil met betrekking tot de verkiezing van de raad
of van het vast bureau van een openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de bevoegdheden
van de bestendige deputatie van de provincieraad, bedoeld in de artikelen
74 tot en met 77 van de gemeentekieswet, uitgeoefend door het in artikel
131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs.]
(W. 9.8.1988 - art. 12 - B.S. 13.8.1988)
[Art.
18ter.
In de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt bij het
dossier van de verkiezing gevoegd:
1) de naam en de voornamen van de eerste niet verkozen kandidaat
gemeenteraadslid van beide taalgroepen;
2) in voorkomend geval, de naam van diegene van beide voormelde
kandidaten die van rechtswege deel uitmaakt van de raad voor
maatschappelijk welzijn met toepassing van artikel 6, § 4.
Het in artikel 18 bedoelde bezwaar en beroep kunnen eveneens ingediend,
respectievelijk ingesteld worden, tegen de voormelde aanwijzing van het
lid van rechtswege.]
(W. 16.6.1989 - art. 6 -B.S. 17.6.1989)
Art.
19.
Het mandaat van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn vangt
aan [de eerste werkdag] van de derde maand volgend op de datum van [het
in functie treden] van de [gemeenteraad] verkozen na een volledige
vernieuwing, of ten laatste de eerste dag van de tweede maand volgend op
diegene tijdens dewelke de uitslag van [hun verkiezing] definitief is
geworden. De leden blijven hun mandaat uitoefenen tot de installatie van
de leden die hen zullen opvolgen.
Het lid dat ontslag neemt blijft zijn mandaat uitoefenen tot zijn
opvolger is beëdigd.
De opvolger of het ter plaatsvervanging verkozen lid voleindigt het
mandaat van het lid dat hij opvolgt.
(W. 5.8.1992 - art. 10, 1° - B.S. 8.10.1992)
[Is een lid verhinderd wegens de vervulling van zijn actieve militaire
dienstplicht of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, dan wordt
hij, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het vast bureau, gedurende
die periode vervangen door zijn opvolger.]
(W. 5.8.1992 - art. 10, 2° - B.S. 8.10.1992)
[Het lid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of
de adoptie van een kind, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan
het vast bureau, vervangen door zijn opvolger, ten vroegste vanaf de
zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de
adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of
de adoptie. Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de
uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur
gelijk aan die gedurende dewelke hij zijn mandaat verder heeft
uitgeoefend tijdens de periode van zeven weken die de dag van de geboorte
of de adoptie voorafgaan.
De vervangingen bedoeld in het vierde en vijfde lid zijn evenwel slechts
mogelijk nadat het te vervangen lid beëdigd werd.]
(W. 5.8.1992 - art. 10, 3° - B.S. 8.10.1992)
[Wanneer, op de dag van de installatie van de raad voor maatschappelijk
welzijn, het ontslag, dat bij aangetekende brief is aangeboden door een
verkozene waarvoor de in artikel 9, e) of f), bedoelde onverenigbaarheid
geldt, nog niet werd aanvaard of wanneer dat ontslag het voorwerp
uitmaakt van een beroep bij de toeziende overheid, wordt de verkozene
vervangen door zijn eerste opvolger tot de dag waarop het ontslag wordt
aanvaard of het geschil is beslecht. Op dat ogenblik wordt de opvolger
opnieuw eerste opvolger van het werkend lid dat in aanmerking komt voor
de eedaflegging.
De eerste opvolger van een verkozen lid van wie betwist wordt dat hij de
eed mag afleggen, moet, op straffe van nietigheid van de beraadslagingen
en besluiten, opgeroepen en geïnstalleerd worden op de
installatievergadering, met dien verstande dat artikel 9 ook op hem van
toepassing is.]
(W. 2.9.1992 - art. 1 - B.S. 28.10.1992)
Art.
20.
Alvorens in functie te treden, worden de leden van de raad voor
maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging opgeroepen door de
burgemeester of afgevaardigde schepen [...] en zij leggen in zijn handen
de volgende eed af: "Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt trouw
na te komen."
In geval van volledige vernieuwing van de raad heeft de eedaflegging
plaats tijdens de installatievergadering belegd op de datum van de
aanvang van het mandaat bedoeld bij artikel 19, eerste lid. Elke andere
eedaflegging geschiedt enkel ten overstaan van de burgemeester [en in
aanwezigheid van de gemeentesecretaris]; hiervan wordt een door de
burgemeester en de secretaris ondertekend proces-verbaal opgemaakt dat
aan de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt
gestuurd.
(W. 5.8.1992 - art. 11 - B.S. 8.10.1992)
[Art.
20bis.
Indien de burgemeester of afgevaardigde schepen nalaat de leden van de
raad voor maatschappelijk welzijn tot de eedaflegging op te roepen om de
eed af te nemen, worden de leden opgeroepen door de gouverneur en leggen
ze de eed af in zijn handen of in de handen van een door hem aangeduide
commissaris.
De gouverneur neemt deze maatregelen binnen dertig dagen nadat hij van
het verzuim kennis heeft gekregen.
De kosten van deze procedure komen ten laste van de burgemeester of
afgevaardigde schepen die verzuimd heeft uitvoering te geven aan artikel
20 van deze wet.
De invordering van die kosten geschiedt door de rijksontvanger, zoals
inzake directe belastingen, ten laste van de burgemeester of
afgevaardigde schepen, nadat de gouverneur het bevelschrift uitvoerbaar
heeft verklaard.]
(W. 5.8.1992 - enig art. - B.S. 8.10.1992)
Art.
21.
Wanneer een lid na de eedaflegging niet meer voldoet aan een van de
voorwaarden van verkiesbaarheid of in een toestand van onverenigbaarheid
komt te verkeren, stelt de burgemeester [...] of de voorzitter van de
raad de bestendige deputatie hiervan onverwijld in kennis. Afschrift van
die kennisgeving wordt dezelfde dag bij aangetekend schrijven met
ontvangstmelding gezonden aan het betrokken raadslid dat zijn opmerkingen
schriftelijk binnen vijftien dagen kan mededelen aan de bestendige
deputatie.
(W. 5.8.1992 - art. 12, 1° - B.S. 8.10.1992)
Wanneer het evenwel om een onverenigbaarheid van ambten gaat, dient de
burgemeester het raadslid vooraf op dezelfde wijze uit te nodigen om uit
het onverenigbare ambt ontslag te nemen. Het lid beschikt over vijftien
dagen om aan die uitnodiging gevolg te geven.
De bestendige deputatie doet uitspraak binnen dertig dagen na ontvangst
van de kennisgeving door de burgemeester.
Wanneer de bestendige deputatie zelf een dergelijke toestand vaststelt of
hiervan kennis krijgt op klacht van een derde, geeft zij daarvan kennis
bij aangetekend schrijven met ontvangstmelding aan het betrokken raadslid
en nodigt zij hem uit om binnen vijftien dagen schriftelijk zijn
opmerkingen te doen kennen of uit het onverenigbare ambt ontslag te
nemen.
Behoudens in geval van ontslag, doet de bestendige deputatie uitspraak
binnen dertig dagen na de verzending van de kennisgeving.
De beslissing van de bestendige deputatie wordt door de gouverneur, bij
aangetekend schrijven met ontvangstmelding, betekend aan het betrokken
raadslid en aan de eventuele bezwaarindieners; er wordt eveneens kennis
van gegeven aan de burgemeester [...] en aan de voorzitter van de raad.
Het raadslid, de bezwaarindieners en de gouverneur kunnen binnen vijftien
dagen na de kennisgeving tegen de beslissing van de bestendige deputatie
beroep instellen bij de Raad van State.
(W. 5.8.1992 - art. 12, 2° - B.S. 8.10.1992)
De met toepassing van dit artikel door de bestendige deputatie
uitgesproken vervallenverklaring heeft uitwerking vanaf haar betekening
aan het betrokken raadslid. Het beroep bij de Raad van State is niet
schorsend.
[Art. 21bis. In geval van een geschil betreffende een lid van de raad of
van het vast bureau van een centrum voor maatschappelijk welzijn van de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden, in afwijking van artikel 21,
de bevoegdheden van de bestendige deputatie van de provincieraad
uitgeoefend door het college van provinciegouverneurs, bedoeld in artikel
131bis van de provinciewet.]
(W. 9.8.1988 - art. 13 - B.S. 13.8.1988)
Art.
22.
In geval van zware nalatigheid of algemeen bekend wangedrag kunnen de
leden van de raad voor maatschappelijk welzijn door de bestendige
deputatie geschorst of afgezet worden, op voorstel van de raad voor
maatschappelijk welzijn, van de [gemeenteraad] of zelfs van ambtswege. De
schorsing mag de tijd van drie maanden niet te boven gaan.
Het betrokken lid wordt vooraf opgeroepen en, indien hij verschijnt,
gehoord; het advies van de raad voor maatschappelijk welzijn wordt
ingewonnen.
De beslissing van de bestendige deputatie wordt ter kennis gebracht van
de betrokkene en medegedeeld aan de raad voor maatschappelijk welzijn en
aan de [gemeenteraad]. Zij beschikken over het recht beroep in te stellen
bij de Raad van State binnen vijftien dagen na de betekening.
(W. 5.8.1992 - art. 13 - B.S. 8.10.1992)
[Als het een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn van
Komen-Waasten of Voeren betreft, worden de bevoegdheden die door het
eerste tot het derde lid worden toegewezen aan de bestendige deputatie
van de provincieraad, uitgeoefend door de provinciegouverneur op
eensluidend advies van het in artikel 131bis van de provinciewet bedoelde
college van provinciegouverneurs.]
(W. 9.8.1988 - art. 14 - B.S. 13.8.1988)
[Art.
22bis.
In afwijking van artikel 22 gelden voor de Vlaamse Gemeenschap de
volgende bepalingen. De maximumduur van de schorsing bedraagt zes
maanden. De door de bestendige deputatie uitgesproken straf heeft
uitwerking vanaf haar betekening aan het betrokken raadslid. Het beroep
bij de Raad van State is niet schorsend.]
(D. 4.2.1997 - art. 2 - B.S. 22.2.1997)
Art.
23.
De Raad van State beschikt over een termijn van zes maanden na ontvangst
van het verzoekschrift om, volgens de door de Koning bepaalde rechtspleging,
uitspraak te doen over de beroepen ingediend met toepassing van de
artikelen 18, 21 en 22 van deze wet.
AFDELING II - Werking van de raad voor maatschappelijk
welzijn
Art.
24.
De raad voor maatschappelijk welzijn regelt alles wat tot de bevoegdheid van
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn behoort, tenzij de wet
het anders bepaalt.
Art.
25.
[§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn kiest onder zijn leden
een voorzitter.
§
2. De voorzitter verliest zijn voorzittersfunctie wanneer hij uit die
functie ontslag neemt of wanneer hij ophoudt raadslid te zijn.
§
3. Bij tijdelijke afwezigheid of verhindering van de voorzitter wordt
zijn ambt waargenomen door het raadslid dat door hem schriftelijk wordt
aangewezen. Bij gebrek aan zulke aanwijzing, wijst de raad onder zijn
leden een plaatsvervanger aan en wordt, zo nodig, in afwachting van die
aanwijzing, het ambt van voorzitter waargenomen door het oudste lid in
jaren.
In geval van overlijden van de voorzitter of wanneer aan zijn mandaat een
einde komt om een andere reden dan de algehele vernieuwing van de raad,
wordt hij vervangen door het oudste lid in jaren, tot de raad een nieuwe
voorzitter heeft verkozen.
§
4. Als verhinderd wordt beschouwd de voorzitter die het ambt van
Minister, Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijk
Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt
uitgeoefend.
De voorzitter die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve
militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde wordt
op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het vast bureau, gedurende die
periode vervangen.
De voorzitter die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte
of de adoptie van een kind wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht
aan het vast bureau, vervangen voor de periode zoals bepaald in artikel
19, vijfde lid.
§
5. De Koning bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de
voorzitter.]
(W. 5.8.1992 - art. 14 - B.S. 8.10.1992)
[Art.
25bis.
De voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van de
randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de
talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren, wordt door de bevoegde
gemeenschapsoverheid op voorstel van de raad benoemd uit de leden van de
raad.
Hij legt de in artikel 20 voorgeschreven eed af in handen van de
provinciegouverneur. Wanneer bij de installatie van de raad na een
algehele vernieuwing geen voorzitter is benoemd, wijst de raad een
raadslid aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van voorzitter
waar te nemen.]
(W. 9.8.1988 - art. 15 - B.S. 13.8.1988)
[Art.
25ter.
§ 1. In de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8, 3° tot
10°, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken,
gecoördineerd op 18 juli 1966, moet de voorzitter, elk lid van de
raad voor maatschappelijk welzijn en eenieder die het ambt van voorzitter
van een raad voor maatschappelijk welzijn waarneemt, voor het uitoefenen
van zijn ambt, van de taal van het taalgebied waarin de gemeente gelegen
is, de kennis hebben die nodig is om het bedoeld mandaat uit te oefenen.
§
2. Door het feit van hun verkiezing of benoeming bestaat het vermoeden
dat de in § 1 bedoelde mandatarissen de in die paragraaf bedoelde
taalkennis bezitten.
Dat vermoeden is onweerlegbaar ten aanzien van elke voor het uitgeoefende
mandaat rechtstreeks door de bevolking verkozen mandataris en ten aanzien
van de voorzitter die tussen 1 januari 1983 en 1 januari 1989 gedurende
minstens drie jaar ononderbroken een mandaat van voorzitter heeft
uitgeoefend.
Ten aanzien van andere mandatarissen kan dat vermoeden worden weerlegd op
verzoek van een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn. Daartoe
moet de verzoeker het bewijs leveren van ernstige aanwijzingen die dat
vermoeden kunnen weerleggen en afgeleid uit een rechterlijke beslissing,
de bekentenis van de mandataris of de uitoefening van zijn ambt als
individuele bestuursoverheid.
§
3. Het in paragraaf 2 bedoelde verzoek wordt bij verzoekschrift ingediend
bij de afdeling administratie van de Raad van State binnen een termijn
van zes maanden te rekenen vanaf de dag van de eedaflegging als
voorzitter of als niet-rechtstreeks gekozen raadslid of van het voor het
eerst waarnemen van de functie van voorzitter, overeenkomstig artikel 25
of artikel 25bis, tweede lid.
§
4. De Raad van State doet uitspraak, met voorrang boven alle andere
zaken.
Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit regelt de rechtspleging
voor de Raad van State.
§
5. Indien de Raad van State ten aanzien van een voorzitter van een raad
voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden van taalkennis is
weerlegd, wordt de benoeming vernietigd. Tot de algehele vernieuwing van
de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot voorzitter worden benoemd,
noch het ambt ervan waarnemen met toepassing van artikel 25 of 25bis,
tweede lid.
Indien de Raad van State ten aanzien van degene die het ambt van
voorzitter waarneemt met toepassing van artikel 25 of van artikel 25bis,
beslist dat het vermoeden van taalkennis is weerlegd, wordt deze laatste
geacht het ambt van voorzitter nooit te hebben uitgeoefend. In dat geval
wordt het ambt van voorzitter vanaf de dag van de kennisgeving van het
arrest waargenomen door een ander lid van de raad met toepassing van
artikel 25 of 25bis, tweede lid.
Indien de Raad van State ten aanzien van een niet-rechtstreeks gekozen
lid van een raad voor maatschappelijk welzijn beslist dat het vermoeden
van taalkennis is weerlegd, wordt zijn verkiezing vernietigd. Tot de
algehele vernieuwing van de raad kan de betrokkene niet opnieuw tot
raadslid worden verkozen.
§
6. De miskenning van de bepalingen van § 5 door diegenen ten aanzien
van wie het vermoeden van taalkennis is weerlegd, is een grove
nalatigheid in de zin van artikel 22.]
(W. 9.8.1988 - art. 16 - B.S. 13.8.1988)
Art.
26.
[§ 1. De burgemeester kan met raadgevende stem de vergaderingen van
de raad voor maatschappelijk welzijn bijwonen. Hij kan er zich laten
vertegenwoordigen door een schepen aangewezen door het college van
burgemeester en schepenen.
Wanneer de burgemeester de vergaderingen bijwoont, kan hij deze
voorzitten indien hij dat wenst.
§
2. Ten minste om de drie maanden heeft overleg plaats tussen een
delegatie van de raad voor maatschappelijk welzijn en een delegatie van
de gemeenteraad. Deze delegaties vormen samen het overlegcomité.
Zij omvatten in elk geval de burgemeester of de schepen die de
burgemeester aanwijst en de voorzitter van de raad voor maatschappelijk
welzijn.
De Koning kan de voorwaarden en nadere regelen van dat overleg
vaststellen.
Behoudens andersluidende bepalingen vastgesteld door de Koning, gelden
voor dat overleg de regelen welke worden vastgesteld in een huishoudelijk
reglement, aangenomen door de gemeenteraad en de raad voor
maatschappelijk welzijn.
De secretarissen van de gemeente en van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn nemen het secretariaat waar van het
overlegcomité.]
(W. 5.8.1992 - art. 15 - B.S. 8.10.1992)
[Art.
26bis.
[§ 1. Over de volgende aangelegenheden kan het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn slechts beslissen indien zij vooraf zijn
voorgelegd aan het overlegcomité:
1° [ het meerjarenplan en de budgetten van het centrum, alsook het
budget van de ziekenhuizen die onder het centrum ressorteren;]
(D. 17.12.1997 – art. 2 - B.S. 6.2.1998)
2° het vaststellen of wijzigen van de personeelsformatie;
3° het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk
statuut van het personeel, voor zover die vaststelling of wijziging een financiële
weerslag kan hebben of erdoor van het statuut van het gemeentelijk
personeel wordt afgeweken;
4°[ de indienstneming van bijkomend personeel, behalve in gevallen
van hoogdringendheid zoals bedoeld in artikel 56, of wanneer het
personeel van het ziekenhuis als bedoeld in artikel 94 betreft ;
(D. 14.7.1998 - art. 2 - B.S. 10.9.1998)
5° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen en de
uitbreiding van de bestaande ;
(D. 14.7.1998 - art. 2 - B.S. 10.9.1998)
6° het oprichten van, het toetreden tot of het uittreden uit
verenigingen overeenkomstig hoofdstuk XII, [ XIIbis of XIIter ];]
(D. 18.5.1999 - art. 2 - B.S. 30.6.1999)
(D. 14.7.1998 - art. 2 - B.S. 10.9.1998)
7°[ de budgetwijzigingen zodra deze van dien aard zijn dat ze de
gemeentelijke bijdrage verhogen of verminderen, alsook de beslissingen
met betrekking tot de ziekenhuizen waardoor hun tekort toeneemt.]
(D.17.12.1997 – art. 2, 1° - B.S.6.2.1998)
§
2. Over de volgende aangelegenheden kunnen de gemeentelijke overheden
slechts beslissen indien zij vooraf zijn voorgelegd aan het
overlegcomité:
1°[ het vaststellen of wijzigen van het administratief en geldelijk
statuut van het personeel, voor zover de desbetreffende beslissingen een
weerslag kunnen hebben op de budgetten en het beheer van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn;]
(D. 17.12.1997 – art.2, 1° - B.S. 6.2.1998)
2° het oprichten van nieuwe diensten of instellingen met een sociale
doelstelling en de uitbreiding van de bestaande.
§
3. De lijst van aangelegenheden, bedoeld in de §§ 1 en 2, kan
worden aangevuld in het huishoudelijk reglement, bedoeld in artikel 26,
§ 2.
§
4. Het voorstel dat aan het overlegcomité werd voorgelegd en de
notulen van de overlegvergadering worden bij de beslissing gevoegd
wanneer deze aan de toezichthoudende overheid wordt toegestuurd.
§
5. […]
(opgeheven D.17.12.1997 – art. 2, 3° - B.S. 6.2.1998)
[Art.
26ter.
[Bij gebreke aan overleg, op afdoende wijze vastgesteld, te wijten aan de
gemeentelijke overheden, beslist het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn, onverminderd de toepassing van het administratief toezicht.]]
(Ingevoegd bij K.B. 5.8.1986 - art. 1 - B.S. 21.8.1986)
(W. 5.8.1992 - art. 17 - B.S. 8.10.1992)
Art.
27.
§ 1. De raad voor maatschappelijk welzijn [ richt in zijn midden een
vast bureau op ] dat belast is met het afhandelen van de zaken van
dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven
bevoegdheden kan overdragen.
(W. 5.8.1992 - art. 18, 1° - B.S. 8.10.1992)
Onverminderd de toepassing van artikel 94, kan de raad in zijn midden
eveneens bijzondere comités oprichten waaraan hij wel omschreven
bevoegdheden kan overdragen. Er kunnen evenwel geen bijzondere
comités worden opgericht zolang geen bijzonder comité voor
de sociale dienst werd aangesteld. [Bovendien kan de raad voor
maatschappelijk welzijn in zijn huishoudelijk reglement bepalen dat
plaatsvervangers worden aangewezen die de effectieve leden van de
bijzondere comités mogen vervangen, wanneer die belet zijn. De
plaatsvervangers dienen op dezelfde akte van voordracht voor te komen als
de betrokken effectieve leden.]
(W. 12.1.1993 - art. 2 - B.S. 4.2.1993)
[Onverminderd de toepassing van de artikelen 28,§3 en 84,§2
kan de raad, het vast bureau of de bijzondere comités eveneens wel
omschreven bevoegdheden tot het beheer van een budget overdragen aan
budgethouders. De budgethouder keurt de facturen goed die betrekking
hebben op het krediet dat hij beheert.]
(D. 17.12.1997 - art. 3, 1° - B.S. 6.2.1998)
[Overdracht van bevoegdheden […] is niet toegelaten voor de
beslissingen die de wet uitdrukkelijk aan de raad voorbehoudt, voor
beslissingen die aan de machtiging of goedkeuring van een
toezichthoudende overheid onderworpen zijn en ook voor de beslissingen
omtrent:
1° de vervreemding, de verdeling en de ruil van onroerende goederen
of onroerende rechten;
2° de leningen, de dadingen, de verwerving van onroerende goederen en
de vaste beleggingen van kapitalen;
3° het aanvaarden van schenkingen en legaten aan het centrum;
4° […]
(opgeheven D. 17.12.1997 - art. 3,
3° -B.S. 6.2.1998)
[…]]
(opgeheven D. 17.12.1997 – art. 3, 3° - B.S. 6.2.1998)
(W. 5.8.1992 – art. 18, 2° - B.S. 8.10.1192)
(D. 17.12.1997 – art. 3, 2° - B.S. 6.2.1998)
§
2. Het vast bureau blijft in functie tot de installatie van de nieuwe
raad. De bijzondere comités kunnen worden aangesteld voor een
bepaalde of voor een onbepaalde duur, doch hun bestaansduur kan nooit
verder reiken dan de installatie van de nieuwe raad.
De overdrachten van bevoegdheden kunnen echter ten allen tijde herroepen
worden.
§
3.[Het vast bureau telt, met inbegrip van zijn voorzitter:
- 3 leden voor een raad van 9 leden;
- 4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;
- 5 leden voor een raad van 15 leden;
Voor elk bijzonder comité wordt het aantal leden door de raad
bepaald. Elk comité mag evenwel, met inbegrip van de voorzitter,
niet minder tellen dan:
- 3 leden voor een raad van 9 leden;
- 4 leden voor een raad van 11 of 13 leden;
- 5 leden voor een raad van 15 leden.
De voorzitter van de raad is van rechtswege en met beraadslagende stem
voorzitter van het vast bureau en van de bijzondere comités.
Nochtans kunnen het vast bureau en de bijzondere comités, in
aanwezigheid van de voorzitter, een ondervoorzitter aanwijzen belast met
het voorzitterschap van de vergaderingen in de plaats van het oudste lid
in jaren zoals voorzien in artikel 25.
De leden van het vast bureau en de leden van elk bijzonder comité
worden, met uitzondering van de voorzitter, bij geheime stemming en in
één enkele stemronde aangewezen, waarbij elk raadslid over
één stem beschikt. Bij staking van stemmen is de oudste
kandidaat in jaren verkozen.
Behoudens in geval van ontslag of verlies van het mandaat van raadslid,
zijn de leden van het vast bureau en de leden van de bijzondere
comités aangeduid voor de bestaansduur van het bureau of het
comité waarvan zij lid zijn.
Wanneer het mandaat van een lid van het vast bureau of van een bijzonder
comité een einde neemt, wordt in zijn vervanging voorzien door de
aanwijzing van een lid dat voorgesteld was op dezelfde voordrachtakte
waarvan sprake is in artikel 11, § 1, behalve in geval het lid in
het vast bureau of bijzonder comité was verkozen als oudste in
jaren bij staking van stemmen.
Bij gebrek aan leden die zijn voorgesteld op de in het zesde lid bedoelde
voordrachtakte of in geval het lid waarvan het mandaat een einde neemt
was verkozen in het vast bureau of het bijzonder comité als oudste
in jaren bij staking van stemmen, mag eender welk lid verkozen worden.]
(W. 5.8.1992 - art. 18, 3° - B.S. 8.10.1992)
[§
4. Wanneer in de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het
vast bureau geen enkel lid van de Nederlandse of geen enkel lid van de
Franse taalaanhorigheid telt, neemt een lid van de raad voor
maatschappelijk welzijn dat behoort tot de niet in het vast bureau
vertegenwoordigde taalgroep met raadgevende stem deel aan de
vergaderingen van dit bureau.
Het in het eerste lid bedoelde lid is het eerst gerangschikte lid van de
niet vertegenwoordigde taalgroep of, bij ontstentenis daarvan, het lid
van de raad dat van rechtswege aangewezen is met toepassing van artikel
6, § 4.]
(W. 16.6.1989 - art. 7 - B.S. 17.6.1989)
[Art.
27bis.
§ 1. In de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van de
randgemeenten, bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de
talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de
gemeenten Komen-Waasten en Voeren is de oprichting van een vast bureau
verplicht.
De leden van het vast bureau worden rechtstreeks gekozen door de
vergadering van de gemeenteraadskiezers op de wijze bepaald bij artikel
2bis van de gemeentewet.
[In het aantal leden van het vast bureau, zoals het is vastgesteld in
artikel 27, § 3, wordt de voorzitter alleen dan meegerekend als hij
rechtstreeks is verkozen als lid van het vast bureau.]
(W. 16.6.1989 - art. 8 - B.S. 17.6.1989)
§
2. Het vast bureau van bovenvermelde openbare centra voor maatschappelijk
welzijn beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus wordt de zaak
door de voorzitter voorgelegd aan de raad voor maatschappelijk welzijn.]
(W. 9.8.1988 - art. 17 - B.S. 13.8.1988)
[Artikel
27ter.
De voorzitter of het raadslid dat de voorzitter vervangt of de
voorzittersfunctie waarneemt en de leden van het vast bureau moeten de
Belgische nationaliteit hebben. Bij het niet of niet meer voldoen aan
deze voorwaarde wordt opgetreden overeenkomstig de procedure voorzien in
artikel 21.]
(D. 18.5.1999 - art. 3 - B.S. 30.6.1999)
Art.
28.
[§ 1.] De voorzitter van de raad van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn leidt de activiteiten van dit centrum.
Hij zorgt voor het voorafgaand onderzoek van de zaken die aan de raad,
aan het vast bureau en aan de bijzondere comités worden
voorgelegd.
Hij roept deze vergaderingen bijeen en stelt de agenda hiervan vast.
Hij is belast met de uitvoering van de beslissingen van de raad, van het
vast bureau en van de bijzondere comités. De in het vast bureau en
de bijzondere comités genomen beslissingen worden ter kennis van
de raad voor maatschappelijk welzijn gebracht.
[De notulen van de vergaderingen van het overlegcomité dienen ter
kennis te worden gebracht van de raad voor maatschappelijk welzijn.]
Hij vertegenwoordigt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in
de gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen.
(W. 5.8.1992 - art. 19, 1° - B.S. 8.10.1992)
[Wanneer een dakloze persoon een beroep doet op de maatschappelijke
dienstverlening van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van
de gemeente waar hij zich bevindt, moet de voorzitter hem de vereiste
dringende hulpverlening toekennen, binnen de grenzen vastgesteld door het
huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk welzijn, mits
zijn beslissing op de eerstvolgende vergadering ter bekrachtiging aan de
raad voor te leggen.]
(W. 12.1.1993 - art. 3 - B.S. 4.2.1993)
§
2.[ Alle beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn, van het
vast bureau en van de bijzondere comités, alsook alle akten en
bekendmakingen van het centrum worden ondertekend door de voorzitter en
medeondertekend door de secretaris. De voorzitter kan de ondertekening van
die documenten opdragen aan één of meerdere leden van de
raad voor maatschappelijk welzijn. De secretaris kan de medeondertekening
van die beslissingen opdragen aan één of meer ambtenaren
van het centrum, voor zover de raad voor maatschappelijk welzijn hem daartoe
machtigt.
In afwijking van het eerste lid worden de beslissingen genomen in het
kader van de in artikel 84, §2, overgedragen bevoegdheden, en de
ermee verband houdende documenten, ondertekend door de ambtenaren die
budgethouder zijn.
De documenten van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die
niet vermeld zijn in het eerste en het tweede lid, worden ondertekend
overeenkomstig de door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgestelde
modaliteiten. Voor zover hij de medeondertekening noodzakelijk acht,
stelt de raad eveneens de modaliteiten van medeondertekening van deze
documenten vast.
De door de raad vastgestelde modaliteiten inzake ondertekening en
medeondertekening worden vermeld in het huishoudelijk reglement. Bij
gebreke aan door de raad vastgestelde modaliteiten geschiedt de
ondertekening en medeondertekening overeenkomstig het eerste lid.
Diegenen die bevoegd zijn stukken te ondertekenen dienen boven hun
handtekening hun naam en functie te vermelden en, in voorkomend geval,
melding te maken van de opdracht.
De opdrachten tot ondertekenen of medeondertekenen geschieden
schriftelijk en zijn te allen tijde herroepbaar. De raad voor
maatschappelijk welzijn wordt daarvan op de hoogte gebracht tijdens zijn
eerstvolgende vergadering.]
(D. 17.12.1997 – art. 4 - B.S. 6.2.1998)
[§
3.] De voorzitter kan in dringende gevallen en binnen de perken bepaald
door het huishoudelijk reglement van de raad voor maatschappelijk
welzijn, zelf tot hulpverlening beslissen, mits zijn beslissing aan de
raad te onderwerpen op de eerstvolgende vergadering met het oog op haar
bekrachtiging.
(W. 5.8.1992 - art. 19, 3° - B.S. 8.10.1992)
[§
4. De voorzitter woont, op zijn verzoek of op uitnodiging van de
burgemeester, met raadgevende stem de vergaderingen van het college van
burgemeester en schepenen bij teneinde gehoord te worden betreffende
aangelegenheden die verband houden met het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn. Te dien einde ontvangt de voorzitter de agenda
van de vergaderingen van het college.]
(W. 5.8.1992 - art. 19, 4° - B.S. 8.10.1992)
Art.
29.
De raad voor maatschappelijk welzijn vergadert ten minste
éénmaal in de maand, na bijeenroeping door de voorzitter,
op de dagen en uren vastgesteld door het huishoudelijk reglement.
Bovendien roept de voorzitter de raad bijeen telkens hij dit noodzakelijk
acht.
De voorzitter is ertoe gehouden de raad voor maatschappelijk welzijn
bijeen te roepen, hetzij op aanvraag van de burgemeester [...], hetzij op
aanvraag van een derde van de zitting hebbende leden, op dag en uur met
de agendapunten door hen bepaald.
(W. 5.8.1992 - art. 20, 1° - B.S. 8.10.1992)
[De aanvraag dient bij de voorzitter toe te komen ten minste twee
vrije dagen voordat de termijn van ten minste vijf vrije dagen, bepaald
in artikel 30, begint te lopen.]
(W. 5.8.1992 - art. 20, 2° - B.S. 8.10.1992)
[Plaats, dag, tijdstip en agenda van de vergaderingen van de raad worden
ter kennis gebracht van het publiek door aanplakking aan de zetel van het
centrum, binnen dezelfde termijnen als die vermeld in artikel 30, eerste
lid, met betrekking tot de bijeenroeping van de raad. De pers en
belangstellende inwoners van de gemeente worden, op hun verzoek en binnen
een nog lopende termijn, op de hoogte gesteld van de agenda van de raad,
eventueel tegen betaling van een vergoeding die niet meer mag bedragen
dan de kostprijs. Die nog lopende termijn geldt niet voor de punten die
aan de agenda worden toegevoegd na het verzenden van de oproeping
overeenkomstig artikel 30.]
(D. 23.5.2003 – art. 2 – B.S. 12.6.2003)
Art.
30.
[De bijeenroeping geschiedt schriftelijk en aan huis, ten minste vijf
dagen vóór de dag van de vergadering en vermeldt de agenda.
Deze termijn kan worden ingekort in spoedeisende gevallen en zal
teruggebracht worden tot twee vrije dagen in geval na twee oproepingen
niet de bij artikel 32 vereiste meerderheid aanwezig is.
Buiten de agendapunten mag geen enkel onderwerp behandeld worden behalve
bij dringende noodzakelijkheid. Tot de dringende noodzakelijkheid moet
worden besloten door ten minste twee derden van de aanwezige leden. De
namen van die leden worden in de notulen vermeld.]
(W. 5.8.1992 - art. 21 - B.S. 8.10.1992)
Elk voorstel dat uitgaat van een lid van de raad en dat ten minste twaalf
dagen vóór de datum van de vergadering van de raad aan de voorzitter
wordt bezorgd, moet ingeschreven worden op de agenda van die vergadering.
De volledige dossiers worden ter beschikking van de leden van de raad
gesteld ten zetel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn
gedurende de in het eerste lid bepaalde termijn, met uitzondering van de
zaterdagen, de zondagen en de wettelijke feestdagen.
Art.
31.
[ De vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn zijn
openbaar. Met uitzondering van de begrotingsbesprekingen kan deze raad,
met een tweederdemeerderheid van de aanwezige leden, in het belang van de
openbare orde en op grond van ernstige bezwaren tegen de openbaarheid,
beslissen dat de vergadering niet openbaar is. De vergadering is niet
openbaar als het om personen gaat. Zodra een dergelijk punt aan de orde
is, beveelt de voorzitter terstond de behandeling in besloten
vergadering. (D. 5.7.2002 - art. 2 - B.S. 14.8.2002)
De besloten vergadering kan slechts plaatsvinden na de openbare
vergadering. Wanneer tijdens de openbare vergadering blijkt dat de
behandeling van een punt in belsoten vergadering moet worden voortgezet,
wordt dit punt behandeld na het sluiten van de openbare vergadering.]
Art.
32.
De raad voor maatschappelijk welzijn, het vast bureau en de bijzondere
comités mogen alleen beraadslagen en besluiten wanneer de
meerderheid van hun zitting hebbende leden aanwezig is.
Zij kunnen echter, indien zij tweemaal bijeengeroepen werden zonder dat
het vereiste aantal leden opgekomen is, na een nieuwe en laatste
bijeenroeping, geldig beraadslagen en beslissen, welk ook het aantal der
aanwezige leden zij, over de onderwerpen die voor de derde maal op de
agenda staan.
De tweede en derde bijeenroeping moeten geschieden overeenkomstig de
voorschriften van artikel 30 en er moet vermeld worden dat de
bijeenroeping voor de tweede of de derde maal geschiedt. Bovendien moet
de derde bijeenroeping de tekst van de eerste twee leden van het
onderhavig artikel woordelijk herhalen.
Art.
33.
[§ 1. De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van
stemmen.
De leden van de raad stemmen mondeling. De voorzitter van de raad, of het
raadslid dat hem vervangt krachtens artikel 25, § 3, stemt het
laatst en bij staking van stemmen is zijn stem beslissend.
§
2. De leden stemmen echter geheim als het om personen gaat, behoudens in
geval van individuele toekenning of terugvordering van maatschappelijke
dienstverlening.
Is er bij geheime stemming staking van stemmen, dan is het voorstel
verworpen.
§
3. Voor elke benoeming tot ambten en elke contractuele indienstneming,
wordt tot een afzonderlijke stemming overgegaan.
In deze gevallen evenals bij elke verkiezing of voordracht van kandidaten
tot mandaten of ambten, indien de volstrekte meerderheid niet werd
verkregen bij de eerste stembeurt, heeft herstemming plaats voor de twee
kandidaten die de meeste stemmen hebben bekomen; in voorkomend geval
wordt de deelneming aan die herstemming bepaald met voorrang van de
oudste in jaren. In geval van staking van stemmen bij de tweede stembeurt
krijgt de oudste kandidaat de voorkeur.
§
4. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen en de blanco of
nietige stembiljetten.]
(W. 5.8.1992 - art. 22 - B.S. 8.10.1992)
[Art.
33bis.
Voor de zitting, vanaf de ontvangst van de agenda van de raad, of tijdens
de zitting, voorafgaandelijk aan de bespreking of aan de stemming, kan de
burgemeester de bespreking of de stemming omtrent elk punt van de agenda
verdagen, behalve wanneer het betrekking heeft op de individuele
toekenning of terugvordering van maatschappelijke dienstverlening. De
redenen van de beslissing van de burgemeester worden vermeld in de
notulen van de vergadering.
In dat geval wordt het overlegcomité bijeengeroepen binnen een
termijn van vijftien dagen, met op de agenda het punt dat werd verdaagd.
De burgemeester kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid slechts
éénmaal uitoefenen voor hetzelfde punt.
De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit
artikel nader bepalen.]
(W. 5.8.1992 - art. 23 - B.S. 8.10.1992)
Art.
34.
De notulen van de vorige vergadering worden hetzij aan de leden
medegedeeld samen met de bijeenroeping tot de vergadering, hetzij ter
hunner beschikking gesteld volgens de regelen bepaald bij het laatste lid
van artikel 30. Na goedkeuring worden zij door de voorzitter en de
secretaris ondertekend.
Telkens als de raad het gewenst acht, worden de notulen, geheel of
gedeeltelijk, staande de vergadering opgemaakt en door de aanwezige leden
ondertekend.
Art.
35.
De vergaderingen van het vast bureau en, behoudens een met redenen
omklede andersluidende beslissing van het betrokken comité, die
van de bijzondere comités, worden gehouden op de plaats aangeduid
in het huishoudelijk reglement.
[ De bepalingen van de artikelen 30, 32, 33 en 34 zijn van toepassing op
de vergaderingen van het vast bureau en van de bijzondere comités.
De bepalingen van artikel 31 zijn niet van toepassing op de vergaderingen
van de bijzondere comités en de vergaderingen van het vast
bureau.]
(D. 23.5.2003 – art. 3 – B.S. 12.6.2003)
Art.
36.
[De leden van de raad voor maatschappelijk welzijn hebben het recht om
ter plaatse kennis te nemen van alle akten, stukken en dossiers
betreffende het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn.
De leden van het beheerscomité van het ziekenhuis hebben hetzelfde
inzagerecht in de akten, stukken en dossiers betreffende het ziekenhuis.
De leden van de raad, alsmede alle andere personen, die krachtens de wet
de [de besloten vergaderingen van de raad] (D. 5.7.2002 - art. 3 -
B.S. 14.8.2002), het vast bureau, de bijzondere comités en het
beheerscomité van het ziekenhuis bijwonen, zijn tot geheimhouding
verplicht.].
(D. 14.7.1998 - art. 3 - B.S. 10.9.1998)
Art.
37.
Het is de leden van de raad […] verboden:
1° tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken
waarbij zij, hetzij persoonlijk, hetzij als zaakgelastigde, rechtstreeks
belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde
graad persoonlijk en rechtstreeks belang hebben. Inzake benoemingen tot
ambten en tuchtmaatregelen geldt dit verbod slechts ten aanzien van
bloed- of aanverwanten tot en met de tweede graad;
2° rechtstreeks of onrechtstreeks deel te nemen aan enige
overeenkomst, enige aanbesteding, levering, verkoop of aankoop voor het
openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. Dit verbod is eveneens van
toepassing op de handelsvennootschappen waarin het lid van de raad, de
burgemeester of zijn afgevaardigde vennoot, zaakvoerder, beheerder of
lasthebber is.
3° als advocaat, notaris, zaakwaarnemer of deskundige, belangen te
behartigen die strijdig zijn met die van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn of, anders dan kosteloos, in dezelfde
hoedanigheid de belangen van het centrum te verdedigen.
Deze bepalingen gelden eveneens voor de leden van de bijzondere beheersorganen
die met toepassing van artikel 94 zouden worden opgericht.
[De bovenstaande bepalingen zijn mede van toepassing op de burgemeester
en de schepen die hem overeenkomstig artikel 26,§1,
vertegenwoordigt.]
(D. 23.5.2003 – art. 4,1° en 2° - B.S. 12.6.2003)
Art.
38.
[De [wedde, waaronder verstaan alle vergoedingen zoals de wedde, het
vakantiegeld en de eindejaarspremie,] van de voorzitter wordt door de
Koning vastgesteld. Zij mag niet gunstiger zijn dan de wedde van de
schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum
gevestigd is. De Koning bepaalt de voorwaarden en modaliteiten van
toekenning van deze wedde.
(D. 18.5.1999 - art. 2,1° - B.S. 30.6.1999)
[Wanneer een gemeente met minder dan 50.000 inwoners bediend wordt, vult
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, op dezelfde wijze
zoals bepaald voor een schepen, de wedde van de voorzitter of van het lid
dat de voorzitter vervangt die geniet van wettelijke of reglementaire
bezoldigingen, pensioenen of vergoedingen of toelagen, aan met een bedrag
ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt op
voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt. De wedde van de
voorzitter, of van het lid dat de voorzitter vervangt, aangevuld met het
bedrag ter compensatie van het inkomensverlies kan nooit hoger zijn dan
de wedde van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn vult, op dezelfde wijze
zoals bepaald voor een gemeenteraadslid, het presentiegeld van het lid
dat geniet van wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen of
vergoedingen of toelagen, aan met een bedrag ter compensatie van het
inkomensverlies dat betrokkene lijdt op voorwaarde dat de mandataris daar
zelf om verzoekt. De som van de presentiegelden aangevuld met het bedrag
ter compensatie van het inkomensverlies kan nooit hoger zijn dan de wedde
van een schepen van een gemeente met 50.000 inwoners.
Wanneer ten gevolge van het toekennen van die bezoldiging of van dat
presentiegeld andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen,
vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, vermindert de
raad voor maatschappelijk welzijn, op verzoek van de voorzitter of het
raadslid die bezoldiging overeenkomstig dit verzoek. Hetzelfde geldt voor
het lid dat de voorzitter vervangt.
Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een verzekering
af om de burgerlijke aansprakelijkheid, met inbegrip van de
rechtsbijstand, te dekken die persoonlijk ten laste komt van de
voorzitter of de leden bij de normale uitoefening van hun ambt. Het
openbaar centrum sluit tevens een verzekering af wegens ongevallen in het
kader van de normale uitoefening van hun ambt door de voorzitter of de
leden. Het openbaar centrum betaalt tevens het bedrag van de geldboete, opgelegd
wegens een misdrijf dat ze hebben begaan bij de normale uitoefening van
hun ambt en behoudens bedrog, zware schuld of lichte schuld die bij hen
gewoonlijk voorkomt, terug aan de voorzitter of het lid.
De voorzitter of het lid dat de voorzitter vervangt geniet dezelfde
socialezekerheidsregeling als deze die van toepassing is voor de
schepenen van de gemeente waar de zetel van het openbaar centrum voor
maatschappelijk welzijn gevestigd is.]
(D. 18.5.1999 - art. 2,2° - B.S. 30.6.1999)
[Volgens de voorwaarden en modaliteiten van toekenning door de Vlaamse
regering bepaald, kent de raad voor maatschappelijk welzijn een
presentiegeld toe aan zijn leden. Het presentiegeld is hetzelfde als dit
van de gemeenteraadsleden van de gemeente waar de zetel van het openbaar
centrum voor maatschappelijk welzijn is gevestigd.] (W. decr.
17.7.2000 – art. 4 - B.S. 11.8.2000 - treedt in werking bij de
eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor maatschappelijk
welzijn)
De gewezen voorzitters en hun rechtverkrijgenden genieten hetzelfde
pensioenstelsel als dit dat van toepassing is voor de schepenen van de
gemeente waar de zetel van het openbaar centrum gevestigd is.
De kosten die door de voorzitter en de leden worden gemaakt bij de
uitvoering van opdrachten die hen door de raad voor maatschappelijk
welzijn in het kader van zijn bevoegdheden uitdrukkelijk werden
toevertrouwd, worden hun terugbetaald. De Koning kan de nadere regels van
deze terugbetalingen bepalen.]
(W. 5.8.1992 - art. 24 - B.S. 8.10.1992)
[Art.
38bis.
De som van de wedde van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk
welzijn en de vergoedingen, wedden en presentiegelden die hij ontvangt
voor de uitoefening van andere openbare mandaten, openbare functies of
openbare ambten van politieke aard, is gelijk aan of lager dan anderhalve
maal het bedrag van de parlementaire vergoeding van lid van het Vlaams
Parlement.
Als het in het eerste lid vastgesteld plafond wordt overschreven, wordt
de som van de in het eerste lid bedoelde vergoedingen, wedden of presentiegelden
verminderd tot het passend bedrag.
Nemen de naast het mandaat van voorzitter van de raad voor
maatschappelijk welzijn uitgeoefende activiteiten een aanvang of een
einde tijdens de duur van voornoemd mandaat, dan brengt de betrokken
voorzitter van de raad van maatschappelijk welzijn de raad voor
maatschappelijk welzijn daarvan op de hoogte.] (ingevoegd decr.
17.7.2000 – art. 5 B.S. 11.8.2000 - treedt in werking bij de
eerstvolgende algehele vernieuwing van de raden voor maatschappelijk
welzijn)
Art.
39.
Wanneer een lid van de raad voor maatschappelijk welzijn de voorzitter
bestendig vervangt gedurende ten minste een maand, wordt hem een
bezoldiging uitbetaald.
De Koning bepaalt de regelen voor de berekening van deze wedde en voor de
verdere uitkering van de wedde van de verkozen voorzitter, evenals de
invloed van die uitkeringen op de pensioenvorming.
Art.
40.
De huishoudelijke reglementen voor de raad, het vast bureau, de
bijzondere comités, alsmede voor de diensten en instellingen van
het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, worden vastgesteld
door de raad.
[…]
(D.17.12.1997 – art. 5 – B.S. 6.2.1998).
|