Beleidsplan Integrale veiligheid

 

BELEIDSPLAN

INTEGRALE VEILIGHEID

 

Inhoudstafel

Beleidsplan Integrale Veiligheid

 

1. Beleidskader lokaal integraal veiligheidsplan 3
1.1 Verhouding tussen de veiligheidsplannen 4
1.2 Prioriteiten veiligheidsplannen 5
1.2.1 Prioriteiten federaal veiligheidsplan 5
1.2.2 Prioriteiten nationaal veiligheidsplan 5
1.2.3 Prioriteiten zonaal veiligheidsplan 6

1.2.4 Federale prioriteiten van het veiligheids- en preventiecontract 6

2. Het concept van integrale veiligheidszorg 7

3. Conceptualisering veiligheid 9

4. Lokaal integraal veiligheidsbeleid 12

4.1 Uitgangspunten 12

4.2 Voorwaarden 12

4.3 Doelstellingen 13

5. Lokaal integraal veiligheidsplan 15

5.1 Structurele wijzigingen 15

5.2 Methodiek 18

 

1.       BELEIDSKADER LOKAAL INTEGRAAL VEILIGHEIDSPLAN

Ingevolge het federaal regeerakkoord werd door Minister van Justitie M.Verwilghen een Federaal Veiligheids- en Detentieplan opgesteld. Dit plan vormt het ruimer beleidskader voor het Nationale Veiligheidsplan en voor de zonale veiligheidsplannen, voorzien bij de Wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politiedienst.

Naast het federaal veiligheidsplan dienen er, volgens het federaal regeerakkoord, voor de stedelijke gebieden lokale integrale veiligheidsplannen opgesteld te worden.

De zonale veiligheidsplannen (de beleidsplannen van de lokale politie) dienen geënt te worden op het federaal en het nationaal veiligheidsplan (beleidsplan van de federale politie), waarbij het nationaal veiligheidsplan op haar beurt geënt wordt op het federaal veiligheidsplan.

De lokale veiligheidsplannen houden rekening met de prioriteiten uit het federaal veiligheidsplan, waarbij echter zeer veel ruimte wordt gelaten voor een lokale, stedelijke invulling met aandacht voor lokale veiligheidsbehoeften. Het zonaal veiligheidsplan dient ingebed te worden in het lokaal integraal veiligheidsplan. Ook het veiligheids- en preventiecontract dient deel uit te maken van het lokaal integraal veiligheidsplan.

Een integraal veiligheidsplan dat het lokaal integraal veiligheidsbeleid formuleert, wordt uitgewerkt op het niveau van de stad, niet op zonaal niveau.

De stad Antwerpen vraagt in het bestuursakkoord 2001-2006 om tot een integraal veiligheidsbeleid te komen. Analoog met het federaal veiligheidsplan wordt dit opgebouwd volgens het concept van integrale veiligheidszorg.

1.                 Verhouding tussen de veiligheidsplannen

 

 

Federaal

Lokaal



 

 

Regie

niveau

Minister van Justitie

Burgemeester



 

 

 

Politie-Diensten

Federale politie

Lokale politie

Prof. Dr. P. Ponsaers – Onderzoeksgroep Sociale Veiligheidsanalyse (SVA) U.G.

 

1.2 Prioriteiten veiligheidsplannen

1.2.1. Prioriteiten federaal veiligheidsplan

1.       Gewelddelicten (diefstal met geweldpleging, aanrandingen, hold-up, gijzeling, wapendracht)

2.       Mensenhandel (exploitatie in het prostitutiemilieu, uitbuiting van clandestiene werknemers in het milieu van de koppelbazen en door bepaalde verhuurders)

3.       Jeugddelinquentie (feiten die gekwalificeerd worden te zijn gepleegd door minderjarigen, onveiligheid op school,…) en minderjarigen in gevaar (schoolverzuim, minderjarigen aan hun lot overgelaten in familiaal verband,…)

4.       Hooliganisme

5.       Bevoorrading en handel in drugs

6.       Verkeersongevallen met gewonden of doden

7.       Onburgerlijke praktijken (verstoring van de rust, bedreigingen, beledigingen, kleine opzettelijke beschadigingen)

8.       Moedwillige of opzettelijke beschadigingen, vandalisme, vernieling van openbaar goed, criminele brandstichting

9.       Aanslagen op het milieu, sluikstorten, vervuilingen

10.   Diefstallen (inbraken, diefstallen in gebouwen, op werven, in uitstalramen, zakkenrollerij, diefstal van voertuigen, …) en het helen, het stelen van en handel in voertuigen

11.   Groepsrebellie en de verschijnselen van groepen van gewelddadige jongeren

12.   Opzettelijke slagen en verwondingen (gevechten en familiale geschillen).

1.2.2. Prioriteiten nationaal veiligheidsplan

1.       Diefstal en afpersing gewapenderhand

2.       Drugs georiënteerd naar de invoer en de handel

3.       Mensenhandel en –smokkel

4.       Witwassen in de context van de georganiseerde criminaliteit en het crimineel verworven patrimonium

5.       Corruptie

6.       Verkeersongevallen met lichamelijk letsel

7.       Hooliganisme

1.2.3. Prioriteiten zonaal veiligheidsplan 2002

1.       Misdrijven tegen eigendommen

1.       Straatcriminaliteit :

1.       Jeugdcriminaliteit (minderjarigen).

2.       Drugs

1.       Verkeer

- overdreven snelheid

agressief verkeersgedrag

1.       Verloedering – vandalisme

1.       Hooliganisme

2.       Intrafamiliaal geweld

1.2.4. Federale prioriteiten van het veiligheids- en preventiecontract 2002

1.       De voorbereiding, coördinatie en opvolging van de contracten.

2.       De informatie aan de burgers aangaande de problematiek van de lokale veiligheid en de voorgestelde maatregelen.

3.       De preventie van de belangrijkste delinquentieproblemen (diefstal, aanranding van natuurlijke personen, vandalisme, jeugddelinquentie, bendevorming,…) en de opvolging van slachtoffers.

4.       De beveiliging van doelgroepen (bejaarden, kinderen en jongeren, handelaars,…) evenals van openbare en semi-openbare gebouwen.

5.       De strijd tegen het schoolverzuim.

6.       De veiligheid in het openbaar vervoer.

7.       De voorkoming en bestrijding van drugoverlast.

8.       De preventie van hooliganisme.

9.       Technopreventie.

 

2. HET CONCEPT VAN INTEGRALE VEILIGHEIDSZORG

Onder integrale veiligheidszorg verstaat het federaal veiligheidsplan een allesomvattende aanpak die inspeelt op alle factoren die de veiligheid kunnen bedreigen of bevorderen.

Integrale veiligheidszorg werkt de vijf verschillende schakels van de veiligheidsketen uit waarbij voor een prioriteit proactieve, preventieve, preparatieve, repressieve maatregelen en nazorg in onderlinge samenhang worden genomen. (Proactie en preparatie worden dikwijls onder de noemer preventie opgenomen waardoor drie schakels overblijven).

 

PROACTIEF

Creëren van een positief sociaal klimaat

PREVENTIEF

Voorkomen van de diverse oorzaken van problemen of beperken van de gevolgen

PREPARATIEF

Gepaste reactie, door en in samenwerking met alle mogelijk betrokken partners

REPRESSIEF

Maatschappelijke reactie op ontolereerbaar gedrag door politie, justitie, onderwijs, ..

CURATIEF

Opvang en begeleiding van daders en slachtoffers

Veiligheidsketen

Deze aanpak veronderstelt een horizontale en een verticale integratie van veiligheid. De vijf schakels moeten met elkaar horizontaal verbonden zijn door het veiligheidsbeleid als een taak van iedereen te beschouwen: onderwijs, welzijn, economische ontwikkeling, ruimtelijke ordening en leefmilieu, sociale zaken, volksgezondheid, verkeer, politie en justitie.

De integrale veiligheidszorg moet er toe bijdragen dat ook andere publieke en private partners dan politie en justitie hun verantwoordelijkheid opnemen en vrijwillig meewerken aan het bevorderen van de veiligheid. Dit veronderstelt een goede samenwerking tussen alle betrokken actoren.

Op basis van overleg en partnership en op grond van behoud van de eigen verantwoordelijk-heden, draagt elke betrokken partner bij tot een gecoördineerde aanpak van onveiligheid. Door deze ruime veiligheidsbenadering kan het gezamenlijke doel van alle actoren gedefinieerd worden als de verbetering van de stedelijke leefbaarheid.

De integrale veiligheidszorg impliceert ook een verticale integratie van overheidsinterventies van het lokale niveau tot het internationale niveau waarbij beleidsafstemming tussen de diverse beleidsniveaus wordt betracht.

Geïntegreerde veiligheidszorg impliceert ook vormen van co-financiering op basis van diverse financieringsbronnen. Mogelijke financieringsbronnen zijn werkingsstructuren zoals het Europees Sociaal Fonds (Europees niveau), het Veiligheids- en Preventiecontract en het Grootstedenbeleid (federaal niveau), het Sociaal Impulsfonds (Stedenfonds) en het Jeugdwerkbeleidsplan (gemeenschapsniveau) en het stads- of gemeentebestuur en het OCMW (stedelijk of gemeentelijk niveau).

Integrale en geïntegreerde veiligheidszorg vraagt afstemming tussen de reeds bestaande beleidsplannen waarbij rekening wordt gehouden met het integraal veiligheidsbeleid en aandacht voor het veiligheidsthema vanuit verschillende disciplines en actoren.

 

3. CONCEPTUALISERING VEILIGHEID

Het concept van integrale veiligheidszorg, met inbegrip van de veiligheidsketen, houdt dus een ruime veiligheidsbenadering in die veel meer omvat dan het bestrijden van criminaliteit alleen.

Een veiligheidsbeleid dient daarbij rekening te houden met drie invalshoeken

Volgens het Federaal Veiligheidsplan wordt onder veiligheid verstaan

Dikwijls treedt verwarring op bij de invulling van de begrippen criminaliteit, onveiligheid, onveiligheidsgevoelens en overlast.

Een onderscheid kan gemaakt worden tussen drie niveaus van vormen van onveiligheid (integriteit, leefomgeving, leefkwaliteit) en in drie niveaus van onveiligheidsbeleving (angst, onrust, onzekerheid).

Op micro-niveau (het niveau van het individu en de persoonlijke integriteit) wordt een situatie onveilig als ze beleefd wordt als een aantasting van de eigen fysieke, psychische of materiële integriteit. Dit veroorzaakt angst.

Op meso-niveau, het niveau van de eigen leefomgeving, wordt een situatie onveilig als ze beleefd wordt als een aantasting van de eigen materiële en immateriële leefomgeving. Dit gaat gepaard met onrustgevoelens waarbinnen ergernis en onbehagen worden onderscheiden.

Op macro-niveau, het niveau van de bredere leefcontext en leefkwaliteit, wordt een situatie onveilig als ze beleefd wordt als een aantasting van de eigen leefkwaliteit. Het betreft hier de situering van het individu in de verschillende maatschappelijke domeinen zoals gezin, onderwijs, arbeid en vrije tijd. Aantasting veroorzaakt op dit niveau onzekerheid.

Het duiden van een situatie als veilig of onveilig is een interpretatie op grond van contextelementen en individuele basisschema’s en persoonskenmerken.

 

Het criterium om een situatie als veilig te duiden is de afwezigheid van dreiging voor de fysieke, psychische of materiële integriteit en de afwezigheid van gerelateerde angstgevoelens. Angstgevoelens zijn de noodzakelijke en voorwaardelijke gevoelens die affectief beleefd moeten worden opdat men van een onveiligheidsgevoel kan spreken.

Onrust- en onzekerheidsgevoelens op zich zijn niet het gevolg van een bedreiging van de integriteit en maken dus niet het voorwerp van veiligheid uit.

In die zin dienen overlastfactoren onderscheiden te worden van onveiligheidsgevoelens.

Allerlei als storend geïnterpreteerde elementen in de onmiddellijke leefomgeving die onder de noemer overlast vallen, geven aanleiding tot onrustgevoelens, ergernis, onbehagen. Zij vormen echter geen onmiddellijke bedreiging voor de fysieke, psychische en materiële integriteit van iemand. Evenzo leiden aantastingen van de leefkwaliteit niet de facto tot angst maar eerder tot (bestaans)onzekerheid.

Overlast wordt in verschillende bronnen als volgt gedefinieerd:

‘Het ongenoegen dat bij de bevolking ontstaat wanneer een bepaald storend gedrag al te vaak voorkomt of wanneer een omgevingsfactor die ergernis veroorzaakt maar blijft aanslepen en waardoor een onveiligheidsgevoel wordt veroorzaakt.’

‘De aantasting van de leefbaarheid of het leefbaarheidsgevoel door omgevingsfactoren van materiële of personele aard.’

‘De openbare overlast heeft betrekking op, voornamelijk individuele, materiële gedragingen die het harmonieuze verloop van de menselijke activiteiten kunnen verstoren en de levenskwaliteit van de inwoners van een gemeente, een wijk, een straat, kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt.

Men kan de openbare overlast beschouwen als lichte vormen van verstoringen van de openbare rust, veiligheid, gezondheid en zindelijkheid.’

Deze laatste definitie lijkt de best hanteerbare mits schrapping van het woord ‘openbare’.

Nochtans is er een wisselwerking tussen de drie niveaus. Afhankelijk van het individu en de context kan een overlastfactor of een cumul van overlastfactoren worden geïnterpreteerd als een integriteitsdreiging en aanleiding geven tot onveiligheidsgevoelens. Zo kan ook een aantasting van de leefkwaliteit een individu gevoeliger maken om een situatie te interpreteren als onveilig.

Gevoelens van angst en vrees voor de aantasting van de fysieke, psychische of materiële integriteit hangen samen met de inschatting van het risico op slachtofferschap. In het algemeen wordt echter een discrepantie vastgesteld tussen de statistisch bepaalde kans op slachtofferschap en de zelfingeschatte kans om slachtoffer te worden. De perceptie van een situatie als bedreigend en de inschatting van de eigen weerbaarheid hangen sterk samen. Er is dus geen direct verband tussen onveiligheidsgevoelens en slachtofferschap . Vandaar dat onveiligheidsgevoelens hoger liggen bij ouderen terwijl het reële risico op slachtofferschap hoger ligt bij jongeren.

Tevens bestaat er geen aantoonbaar oorzakelijk verband tussen het onveiligheidsgevoel en het aantal geregistreerde misdrijven .

Differentiatie tussen de verschillende begrippen is dus noodzakelijk en voor elke maatregel moet duidelijk bepaald worden op welk fenomeen ze gericht is om effecten te kunnen vaststellen.

 

4. Lokaal integraal veiligheidsbeleid

4.1. Uitgangspunten

Een lokaal integraal veiligheidbeleid dient het recht op veiligheid rechtvaardig en op basis van gelijkwaardigheid van alle burgers te garanderen. Daar criminaliteit en onveiligheid ongelijk verdeeld zijn over een stad is een buurtgerichte aanpak, gericht op maatwerk en differentiatie noodzakelijk.

Een sociaal rechtvaardig veiligheidsbeleid dient een uitwerking op maat van de buurt en van de afzonderlijke individuen te krijgen waarbij ook rekening moet gehouden worden met de verschillende (soms conflictueuse) belangen van de onderscheiden buurtbewoners.

Onveiligheidsgevoelens worden immers ervaren en gedefinieerd door individuen wiens definiëringsmacht en mondigheid ongelijk is (allochtonen/autochtonen, jongeren/volwassenen, sociaal zwak/sterk). Het veiligheidsbeleid mag niet ten koste gaan van de ontwikkelingsmogelijkheden van de meest kwetsbare groepen.

Om deze sociale rechtvaardigheid te garanderen dient het lokaal integraal veiligheidsbeleid vorm te krijgen via dialoog tussen de verschillende actoren en dit zowel op beleidsniveau als op buurtniveau. Overleg dient opgezet te worden vanuit ieders perspectief waarbij niet alleen oog is voor complementariteit en gemeenschappelijkheid maar ook voor verschil in visie op de problematiek en de aanpak ervan.

Een lokaal integraal veiligheidsbeleid moet dus ruimte bieden voor de diversiteit aan visies en opvattingen omtrent stedelijke veiligheid en dit zowel wat de actoren op beleidsniveau en buurtniveau betreft als van de verschillende te onderscheiden bewoners.

Het dient zich te steunen op een doorgedreven scanning en analyse van de problemen waarbij zoveel mogelijk partners betrokken moeten worden.


4.2. Voorwaarden


4.3. Doelstellingen

Volgens het Federaal Veiligheidsplan zijn de doelstellingen van het integraal veiligheidsbeleid meervoudig.

‘Naast de algemene doelstellingen van het beheersen en terugdringen van de objectieve onveiligheid en van de onveiligheidsgevoelens en het verhogen van de kwaliteit van het leven in de lokale gemeenschap is het wenselijk dat de gemeente zich toelegt op het zichtbaar en meetbaar versterken van die onderdelen van de veiligheidsketen waar men lokaal geheel of gedeeltelijk greep op heeft.’

De veiligheidsketen bestaat uit verschillende schakels van maatregelen: van proactieve, algemene leefkwaliteitsbevorderende tot curatieve maatregelen. De verschillende veiligheidsmaatregelen kunnen volgens hun graad van ‘probleemgerichtheid’ en hun oriëntatie ingedeeld worden.

Algemene veiligheidsmaatregelen beogen een positief samenlevingsklimaat (bevorderen de leefkwaliteit op economisch, sociaal, politiek en ecologisch vlak) waardoor ook de veiligheid wordt bevorderd. Zij zijn dus minder probleemgericht en zijn positief georiënteerd.

Specifieke veiligheidsmaatregelen zijn op een specifiek probleem gericht en negatief georiënteerd (strijd tegen onveiligheid en onveiligheidsgevoelens).

De verschillende maatregelen mogen niet los van elkaar gezien worden. De ene schakel bouwt voort op de andere waarbij meer probleemgerichte en specifieke maatregelen slechts effectief kunnen zijn als ook meer algemene maatregelen worden genomen.

Een integraal veiligheidsbeleid moet streven naar een evenwicht tussen de negatieve en de positieve oriëntatie waarbij een brede positieve oriëntatie de basis vormt van waaruit alle andere maatregelen vertrekken. Dit voorkomt een te eenzijdige probleemgeoriënteerde veiligheidsbenadering die contraproductief kan werken (symptoombestrijding zonder achterliggende problemen aan te pakken, onveiligheidsgevoelens versterken door meer toezicht zonder andere maatregelen).

De veiligheidsketen kan dus ook als een verticale, piramidale structuur begrepen worden met als brede basis de proactieve, leefkwaliteitsbevorderende maatregelen en als smalle top de curatieve maatregelen.

Hieruit volgt dat een integraal veiligheidsbeleid als ruime doelstelling heeft de stedelijke leefbaarheid te verbeteren. Dit impliceert een breed pakket aan maatregelen, met zowel korte termijn als lange termijn doelstellingen, die tot een coherent geheel worden gebundeld en die elkaar wederzijds versterken.

De specifieke doelstelling van een lokaal integraal veiligheidsbeleid kan omschreven worden als het bevorderen van een veilige en rustige, geordende leefomgeving waarin ieder zijn/haar fysieke, psychische en materiële integriteit gewaarborgd weet.

 

5. Het lokaal integraal veiligheidsplan

Om een beter en een lokaal integraal veiligheidsbeleid op te bouwen is het volgens het Federaal Veiligheidsplan ‘noodzakelijk een aantal structurele wijzigingen te bewerkstelligen en een algemene methodiek te ontwerpen voor het opmaken van een lokaal veiligheidsplan dat ruimer is dan de zonale veiligheidsplannen zoals deze die voorzien zijn in de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politie op twee niveaus’.

5.1. Structurele wijzigingen

 

5.2. Methodiek

Volgens het Federaal Veiligheidsplan moeten het zonaal veiligheidsplan en het veiligheids- en preventiecontract deel uitmaken van het lokaal integraal veiligheidsplan. Bij de ontwikkeling van dit laatste moet rekening gehouden worden met de prioriteiten uit het Federaal Veiligheidsplan. Hierbij wordt er echter zeer veel ruimte gegeven om in te spelen op de lokale veiligheidsbehoeften.

Zoals reeds aangegeven zal voor de opmaak van een plan integrale veiligheidszorg uitgegaan moeten worden van een buurtgerichte aanpak, gericht op maatwerk en differentiatie.

De lokale prioriteitenbepaling zal ten opzichte van de federale prioriteiten beargumenteerd moeten worden.

In het plan integrale veiligheidszorg zal met twee snelheden gewerkt worden. Op korte termijn zullen er acties uitgewerkt worden rond problemen die reeds lang gekend zijn en een integrale aanpak vragen, op lange termijn zullen acties op basis van analyses opgezet worden binnen een coherent plan.

Om de prioriteiten te bepalen voor een lokaal integraal veiligheidsplan en deze keuze te beargumenteren, kan een strategische beleidscyclus gevolgd worden die uit vier stappen bestaat:

 

Beleidsvoorbereiding

In deze fase worden gegevens uit zo divers mogelijke bronnen verzameld en wordt gezocht naar buurten die hoge frequenties vertonen inzake specifieke veiligheidsproblemen.

Mogelijk beleidsplannen en bronnen:

1.       Bestuursakkoord 2001-2006

2.       Beleidsnota’s 2001-2006 districten

3.       Federaal en zonaal veiligheidsplan (incl. actieplannen zones)

4.       Verkeersveiligheidsplan

5.       Veiligheids- en preventiecontract

6.       Beleidsplan prostitutie

7.       Strategisch plan drugs Antwerpen

8.       Strategisch plan Jong Geweld

9.       Beleidsplan senioren

10.   Beleidsplan jeugd

11.   Kindvriendelijke stad

12.   Beleidsplannen van het parket

13.   Beleidsplan grootstedenbeleid

14.   "Op volle toeren" – beleidsnota 2001-2006 (werkgelegenheid & arbeidsmarkt)

15.   Wijkontwikkelingsplannen

16.   Criminaliteitscijfers

17.   Veiligheidsmonitor 2000 en buurtmonitors (2002)

18.   Jeugdpeilingen over veiligheid (1998-2001)

19.   Databanken en andere BE’s o.a. databank sociale planning

20.   Nulmetingen = pleinontwikkeling

21.   Registratie VLASTROV

22.   Federale drugbeleidsnota

23.   SIF beleidsplan

24.   Beleidsplan OCMW

25.   Gegevens interactieve beleidsvoering

 

Beleidsbepaling

Na de probleemanalyse dient hier bepaald te worden wat men als veiligheidsprobleem aanziet. In deze fase worden de lokale prioriteiten en buurten vastgelegd. Hiermee wordt het integraal veiligheidsplan vastgelegd.

Voor deze fenomenen wordt een strategie en een actieplan uitgewerkt. Dit gebeurt in samenspraak met de actoren op buurtniveau en met de lokale bevolking. Tevens is afstemming met de districten nodig.

 

Beleidsuitvoering

In deze fase worden de actieplannen uitgevoerd, opgevolgd en bijgestuurd. Een projectverantwoordelijke wordt aangesteld.

 

Beleidsevaluatie

Het effect van de actie wordt geëvalueerd middels een aangepast meetinstrument waarbij vooral ook weer naar de mening van de bevolking gepeild moet worden.

 

Tina Janssens
Wnd. preventieambtenaar
08.02.02
aangepast 04.06.02
aangepast 05.07.02

terug naar vorige pagina

[ contact: burgerzaken]
[ laatst bijgewerkt op 22-07-2002]