Nota over ‘stadsplan veilig’ opgesteld op verzoek van VZW Dak door Progress Lawyers Network – Antwerpen

 

Advocaten Edith Flamand en Raf Jespers (auteurs van het boek ‘Je rechten bij openbare actie’, Epo, 1997).

December 2004

 

 

 

1. STADSPLAN VEILIG

 

 

De Stad Antwerpen is van plan vanaf 1 januari 2005 in Noord-Antwerpen en Borgerhout met alle betrokken diensten (politie, inspectiediensten, welzijn, werkgelegenheid, burgerlijke stand, bijstand, huisvesting…) huis na huis door de straat trekken. De stad neemt zich voor hoe dan ook in de woningen binnen te geraken. Wie de diensten tegenhoudt, kan een nieuw bezoek verwachten met de nodige machtigingen tot huisbezoek.[1]

 

De bedoeling is het doen en laten van doelgroepen systematischer op te volgen. En wie zijn die doelgroepen? Jonge veelplegers, jonge meelopers, Balkankinderen, verslaafde veel-en vaakplegers, risicogezinnen, vuilhufters.”[2] En welke gegevens wil men door die huisbezoeken verzamelen? “Wie er woont, in welke omstandigheden,met welke nationaliteit en in welk verblijfsstatuut, met welke taalvaardigheid, met welk statuut op vlak van inkomen, werk, welzijn…”[3]

 

Aan de pers verklaarde schepen Grootjans ook nog: “De politiediensten kunnen de bewoners niet verplichten om mee te werken en verklaringen te geven over hun herkomst, hun verblijfsstatuut, hun taalvaardigheid en hun inkomen. Ze mogen zelfs de deur voor de neus van de agent dichtgooien. Maar dan weten we meteen dat die mensen wat te verbergen hebben …”

 

 

2. RECHTSSTAAT OF POLITIESTAAT?

 

 

3. DATAVERZAMELING ZONDER WETTELIJK ONDERBOUWDE BESTUURLIJKE OF GERECHTELIJKE FINALITEIT

 

De politie zal gegevens inzamelen over de herkomst, het verblijfsstatuut, de taalvaardigheid en het inkomen van de bewoners van de geviseerde straten. De ontwerpers van het Stadsplan Veilig liggen blijkbaar niet wakker van de vraag of deze gegevensinzameling wel wettelijk is en zoja of ze kadert in een bestuurlijke dan wel een gerechtelijke finaliteit. Nochtans kan de politie niet onbeperkt aan gegevensinzameling doen. De wet op het politieambt (art. 44/1) zegt dat de politiediensten “bij het vervullen van hun opdrachten gegevens van persoonlijke aard en inlichtingen kunnen inwinnen en verwerken, meer bepaald met betrekking tot gebeurtenissen, groepen en en personen die een concreet belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie en voor de uitoefening van hun opdrachten van gerechtelijke politie…

De voorbereidende werken van de wet geven geen verduidelijking van het begrip “concreet belang”, maar stellen wel dat de gegevensverzameling noodzakelijk moet zijn. M.a.w. de gegevensverzameling moet beperkt blijven tot wat noodzakelijk is om concrete gevaren te voorkomen of welbepaalde inbreuken te bestraffen.

Dit is ook het standpunt van de Aanbeveling n° R (87) 15 aangenomen door het Comité van Ministers van de Raad van Europa in Straatsburg op 17 september 1987: “De inzameling van persoonsgegevens voor politiedoeleinden moet beperkt blijven tot wat noodzakelijk is voor het voorkomen van een concreet gevaar of de beteugeling van een welbepaald strafbaar feit.”  Het speuren naar informatie zonder een welbepaald doel of zonder een politiële reden is dus uitgesloten. [4]

 

4. ONEIGEN LIJK GEBRUIK VAN DE FIGUUR VAN HET PRO-ACTIEF ONDERZOEK

 

Stilaan groeit het besef dat er vroeg genoeg gewerkt moet worden met potentiële daders, in plaats van louter op delicten. De delictaanpak dient te worden aangevuld met een daderaanpak waarbij het doen en laten van doelgroepen systematischer wordt opgevolgd.[5] Dit citaat maakt duidelijk, dat wat de Antwerpse politie van plan is, de kenmerken vertoont van een zogenaamd “pro-actief onderzoek”. Dit is de onderzoeksfase die voorafgaat aan het strafbaar feit, voordat er een concrete verdenking tegen een welbepaald persoon is. Wél moet het pro-actief onderzoek een strafvorderlijk doel hebben. Het opsporen en verzamelen van inlichtingen moet steeds gebeuren met het doel te komen tot het vervolgen van daders van misdrijven. Het gebruik maken van deze bevoegdheden met als enkel doel het louter verzamelen van inlichtingen valt buiten het kader van de pro-actieve recherche.[6] Omdat dergelijke recherche het recht op privacy van mensen die nog geen enkel strafbaar feit gepleegd hebben ernstig in gevaar kan brengen behoeft ze bovendien voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de procureur des Konings en is ze slechts mogelijk voor een categorie van ernstige misdrijven. Niet voor het soort overlast of zelfs kleine criminaliteit waarnaar het Stadsplan veilig verwijst.

 

 

5. DREIGING VAN ONWETTELIJKE VASTSTELLINGEN DOOR HET SAMEN OPTREDEN VAN ALLERLEI DIENSTEN

 

Het samen optreden van politie en -overigens niet nader bepaalde- inspectiediensten is evenmin evident. Politie enerzijds en inspectiediensten anderzijds zijn onderworpen aan verschillende regels. Hun gezamenlijk optreden kan leiden tot onwettelijkheid. [7]

 

 

6. OPSPOREN VAN INBREUKEN DOOR DE BETWISTBARE TECHNIEK VAN DE “PROFIELEN”

 

Het plan vermeldt als doelgroepen : Jonge veelplegers, jonge meelopers, Balkankinderen, verslaafde veel-en vaakplegers, risicogezinnen, vuilhufters en wil daar nog volgende gegevens mee in verband brengen: Wie er woont, in welke omstandigheden,met welke nationaliteit en in welk verblijfsstatuut, met welke taalvaardigheid, met welk statuut op vlak van inkomen, werk, welzijn…

Dit is een toepassing van het opsporen van inbreuken door de techniek van de “profielen”. Deze techniek is omstreden, omdat ze niet alleen het risico inhoudt van een onredelijke verdenking, maar ook een aanslag op de fundamentele vrijheden. Immers de gedragingen die deel uitmaken van het “profiel” zijn onschuldig en worden grondwettelijk beschermd. [8] 

 

 

7. ONWETTIGE HUISZOEKINGEN – SCHENDING VAN DE PRIVACY

 

Veruit het meest choquerende aspect van het Stadsplan veilig is de arrogantie waarmee geponeerd wordt dat de Stad “hoe dan ook in de woningen wil binnenraken”.

Zowel de artikels 15 en 22 van de Belgische Grondwet, als artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden waarborgen het recht op privé-leven en op onschendbaarheid van de woning.

Dit zijn fundamentele rechten en de huiszoeking is slechts toegelaten in uitzonderlijke strikt door de wet geregelde gevallen en onder controle van de onderzoeksrechter. Een huiszoeking zonder dat er ernstige vermoedens zijn van een strafbaar feit is uitgesloten.

Ook de zoekingen door bijzondere inspectiediensten kunnen niet “zomaar” en zijn in diverse gevallen onderworpen aan de voorafgaandelijke toelating van een rechter. [9]

 

Het principe werd onlangs nog bevestigd in het arrest VAN ROSSEM, dat de Belgische Staat heeft veroordeeld voor schending van artikel 8 van het Europees Verdrag Mensenrechten.[10] 

Meer bepaald bevestigt het arrest VAN ROSSEM dat het bevel tot huiszoeking niet in vage algemene termen mag opgesteld zijn, maar beperkend geformuleerd moet zijn.

Ook in de zaak ERNST e.a. veroordeelde het Europees Hof de Belgische Staat wegens schending van de privacy. Het ging over de huiszoekingen die in 1995 werden uitgevoerd op de redacties van o.a. “Le Soir” en in de woning van vier journalisten in het kader van de berichtgeving over de moord op André Cools en de corruptiedossiers Agusta en Dassault. Het Hof hekelde ondermeer het “massieve karakter van de huiszoekingen die acht quasi-gelijktijdige operaties omvatten en waar 160 politiemensen bij betrokken waren”. [11]

 

Deze rechtspraak is logisch. In een rechtsstaat dienen huiszoekingen immers niet om mogelijke misdrijven te ontdekken, maar wél om de bewijzen van reeds gekende misdrijven te vinden. Zogenaamde “visnetoperaties” - de politie werpt een net en hoopt altijd wel een vis te kunnen vangen - zijn verboden. Als visnetoperaties toegelaten zouden zijn, leefden we in een politiestaat.

Dat is waar Stadsplan Veilig echter wel op aanstuurt: het is duidelijk dat men niet weet “welk misdrijf men zoekt” als men de veelheid aan diensten ziet die tegelijkertijd “huis aan huis” zullen gaan.  Evenmin weet men “welke daders men zoekt” als men de veelheid aan wijken en straten ziet die het Stadsplan viseert. Dus gaat het hier om een (verboden)  “visnetoperatie”.

 

Wie een onwettige huiszoeking uitvoert stelt zich bloot aan strafvervolging. Gaat het om overheidsagenten dan is art. 148 S.W. van toepassing. Gaat het om privé-personen, dan is art. 439 S.W. van toepassing.

 

8. ONGEOORLOOFDE DRUK OM IN DE HUIZEN BINNEN TE GERAKEN, SCHENDING VAN HET VERMOEDEN VAN ONSCHULD

 

De uitspraak van schepen Grootjans, dat “als de mensen gebruik maken van hun recht om de deur voor de politie dicht te gooien, het meteen duidelijk is dat ze iets te verbergen hebben”  is niet alleen een aanfluiting van het grondwettelijk en Europees erkend recht op onschendbaarheid van de woning. Tegelijk is het een aanfluiting van het vermoeden van onschuld. Een “toestemming” tot huiszoeking die afgedwongen wordt met de dreiging dat men “anders verdacht is” is een toestemming onder druk en dus niet geldig.

Bovendien zijn dergelijke uitspraken intimiderend ook ten opzichte van personen die om principiële redenen van recht op privacy, onschendbaarheid van de woning, het om humanitaire of politieke redenen oneens zijn met dergelijk beleid… weigeren om de politie en inspectiediensten in hun privéwoning binnen te laten.

 

 

9. INMENGING IN OPENBARE AMBTEN

 

Het gelijktijdig optreden van zulke diverse instanties als “politie, inspectiediensten, welzijn, werkgelegenheid, burgerlijke stand, bijstand, huisvesting…”[12] wekt minstens de schijn, dat bepaalde diensten bevoegdheden hebben, die ze hélemaal niet hebben. [13] Wat hebben welzijnsdiensten, de burgerlijke stand, enz.. te zien met een huiszoeking? (zelfs in de veronderstelling dat de huiszoeking in hoofde van de politie regelmatig zou zijn)

Maar door hun aanwezigheid wekken ze minstens de schijn dat ze (ook) huiszoekingsbevoegdheid hebben. Het zich inmengen in openbare ambten is strafbaar op basis van art. 227 S.W.

 

 

10. SCHENDING VAN HET GEHEIM VAN HET ONDERZOEK/BEROEPSGEHEIM

 

De diensten die de Stad wil inschakelen bij de huisbezoeken: “politie, inspectiediensten, welzijn, werkgelegenheid, burgerlijke stand, bijstand, huisvesting…” zijn al dan niet onderworpen aan een specifiek beroepsgeheim respectievelijk plicht van geheimhouding van het onderzoek volgens het wetboek van strafvordering. Door hun gezamenlijk optreden worden deze geheimen geschonden, wat eveneens strafbaar is.

 

 

11. MACHTSAFWENDING EN DISCRIMINATIE

 

De aangekondigde “huisbezoeken” zijn een voorbeeld van machtsafwending. De strikte voorwaarden voor zowel gerechtelijke huiszoeking als diverse administratieve zoekingen worden “en bloc” overboord gegooid voor een bepaalde categorie mensen. Deze categorie die bij voorbaat gestigmatiseerd wordt mag blijkbaar niet meer genieten van de individuele rechtsbescherming bij ingrijpende maatregelen zoals huiszoeking.

 

De categorieën en straten die geviseerd worden zijn arme mensen en arme straten. Niet de armoede wordt als probleem gezien, maar wél de armen zélf.

Er wordt een discriminatie ingevoerd tussen straten en wijken naargelang het profiel van de bewoners. Dergelijke maatregelen worden niet in het vooruitzicht gesteld in bijvoorbeeld de wijk rond het Nachtegalenpark.

 

 

12. ALGEMENE SCHENDING VAN DOOR DE GRONDWET GEWAARBORGDE VRIJHEDEN EN RECHTEN

 

Elke andere daad van willekeur die inbreuk maakt op door de Grondwet gewaarborgde vrijheden en rechten en die bevolen of uitgevoerd wordt door een openbaar officier of ambtenaar, door een drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar” (art. 151 S.W.)

 

 

13. STRAATVERBOD

 

Burgemeester Patrick Janssens plant om begin 2005 in de gemeentelijke politiecodex een artikel te laten opnemen dat hem zou toelaten een straatverbod op te leggen van maximum acht dagen, bij herhaling tot maximum 14 dagen en bij nieuwe herhaling maximum 1 maand. Bij overtreding zou een boete van 250 euro opgelegd worden.

Het opleggen van straatverbod is juridisch betwistbaar ook in het loutere burgerlijk recht, waar het bijvoorbeeld in kortgeding soms wordt uitgesproken bv. in echtelijke ruzies.

Het vierde protocol van 16 september 1963 bij het Europees Verdrag Mensenrechten (EVRM) bepaalt in artikel 2: “vrijheid van verplaatsing: 1. Een ieder die zich wettig op het grondgebied van een Staat bevindt, heeft het recht zich daar vrij te verplaatsen…”.

Artikel 17 van het EVRM zelf heeft het verbod op misbruik van recht en stelt dat geen der bepalingen van het Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon “het recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad te verrichten welke ten doel heeft de rechten of vrijheden welke in het Verdrag zijn vermeld, te vernietigen of deze rechten en vrijheden meer te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.”

Professor Ludo Veny van de Universiteit Gent betwijfelt of het juridisch mogelijk is dat een burgemeester individuele straatverboden oplegt[14].

 

 

14. BESLUIT

 

Dit plan zet in méér dan een opzicht de elementaire principes van een rechtsstaat op de helling. De personen die zich met de toepassing en uitvoering van het plan inlaten riskeren zich schuldig te maken aan strafrechterlijke inbreuken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Progress Lawyers Network

Broederminstraat 38

2018 Antwerpen

Tel: 03/3208530

Fax: 03/3661075

Mail: antwerp@progresslaw.net

 

 

 



[1] Guy Fransen De Standaard 19.11.2004

[2] P. 25 Stadsplan Veilig

[3] P. 23 Stadsplan Veilig

[4] Christian De Valkeneer : « La tromperie dans l’administration de la preuve pénale », Larcier, 2000, p. 182 en 183 en de voetnoten

[5] p. 25 Stadsplan Veilig

[6] « Het vernieuwde strafprocesrecht, een eerste commentaar bij de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek », Maklu, 1998, p. 46

[7] Christian De Valkeneer : « La tromperie dans l’administration de la preuve pénale », Larcier, 2000, p.194 : « Un arrêt de la cour d’ appèl de Liège est encore plus restrictif en précisant que :  « Lorsque des gendarmes accompagnent des agents des services de recherches de contributions directes qui procèdent à une visite de locaux professionnels autorisée par le juge de police conformément à l’article 225 C.I.R., ils ne peuvent procéder spontanément à une visite domiciliaire ni faire des recherches et des constatations parallèlement aux investigations des agents du fisc. Les constatations et le procès-verbal dressé à la faveur d’une telle perquisition illégale sont nuls, de même que les actes de poursuite et d’instruction subséquents » (Liège (mis.acc), 23 juin 1983, J.L., 1983, pp.. 332 e.s.

[8] « Les diverses attitudes extérieures qui, par leur convergence, forment un profil sont, chacune prise isolément , l’exercice d’une liberté fondamentale protégée par la Constitution et qui appartient à tous les citoyens. Au risque de créer un soupçon déraisonnable s’ajoute l’atteinte portée à une liberté fondamentale : pour la plupart des citoyens, les comportements repris dans le profil sont innocents et consitutionnellement protégés. C’est le faisceau de tels comportements qui les transforme en indices d’une activité criminelle » (F. Rigaux : « La protection de la vie privée à l’égard des données à caractère personnel » Ann. Dr. Louvain, p. 431, n° 364, zoals geciteerd door Christian De Valkeneer : « La tromperie dans l’administration de la preuve pénale », Larcier, 2000, p. 202.)

[9] Bij wijze van voorbeeld : vonnis politierechtbank Dendermonde dd. 9 februari 1996, Rechtskundig weekblad 1996-1997, p. 196 met noot: “De toestemming tot het betreden van bewoonde lokalen als bedoeld in de wet betreffende arbeidsinspectie: in geen geval een sleutel die op alle deuren past.”

[10] Arrest Van Rossem tegen België (verzoekschrift n° 41872/98) dd. 9 december 2004 (www.echr.coe.int)

[11] Arrest Ernst en anderen tegen België (verzoekschrift n° 33400/96) dd. 15 juli 2003.  (www.echr.coe.int)

[12] P. 23 Stadsplan Veilig

[13] Correctionele rechtbank Brugge, raadkamer, 13.09.1983, Rechtskundig weekblad, 1985-1986, p. 2642: “Het misdrijf van inmenging in openbare ambten is voltrokken door het loutere stellen van een daad behorend tot de bevoegdheid van een openbaar ambtenaar en dit door een daartoe niet bevoegd persoon, ongeacht de goede of kwade trouwe van diegene die de daad stelt”.

[14] Gazet Van Antwerpen, 10 december 2004.