Plenaire Vergadering van 25/05/2005

Actuele vraag van de heer Filip Dewinter tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over de wettelijkheid van het instellen van een straatverbod door een burgemeester

De voorzitter: Dames en heren, aan de orde is de actuele vraag van de heer Dewinter tot de heer Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over de wettelijkheid van het instellen van een straatverbod door een burgemeester.

De heer Dewinter heeft het woord.

De heer Filip Dewinter (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, collega's, u zult het me niet kwalijk nemen dat ook mijn vraag een Antwerpse aangelegenheid betreft.

Mijnheer de minister, u weet dat de Antwerpse gemeenteraad vorige week heeft beslist om aan de Antwerpse burgemeester, die vandaag niet in ons midden is, de bevoegdheid te geven om bij gemotiveerd besluit een straatverbod uit te vaardigen, naar Nederlands, Deens en Engels model. De burgemeester kan iemand die herhaaldelijk zware overlast veroorzaakt, verbieden om gedurende een bepaalde tijdspanne een bepaalde straat of meerdere straten te betreden.

Ik ben daar al lange tijd een groot voorstander van. Daarom hoop ik dat uw antwoord op mijn vraag positief zal zijn.

U weet dat federaal CD&V-parlementslid Lanjri aan minister van Justitie Onkelinx hierover een aantal vragen heeft gesteld. De minister heeft toen laten weten dat ze niet bevoegd was maar dat het de bevoegdheid was van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden om zich hierover uit te spreken.

Mijnheer de minister, ik stel de vraag omwille van het feit dat ik niet zou willen dat een dergelijk straatverbod achteraf ofwel juridisch ofwel politiek op losse schroeven zou komen te staan waardoor deze goede maatregel een deel van zijn geloofwaardigheid en autoriteit zou kunnen verliezen. U weet dat een aantal eminente professoren, onder meer professor Boes, professor bestuurskunde aan de KUL, maar ook professor Veny, specialist in gemeenterecht, hieromtrent in een artikel in De Standaard een aantal opmerkingen hebben gemaakt. Ze hebben gezegd dat een dergelijk straatverbod de toetsing van de rechtbank niet zal doorstaan. Ze zijn van mening dat indien de hogere overheid zo'n straatverbod als maatregel had willen aanreiken aan de stads- en gemeentebesturen van ons land, ze dat had kunnen doen via artikel 129bis van de nieuwe gemeentewet waarin de gemeentelijke administratieve sancties staan opgesomd. Het straatverbod staat daar spijtig genoeg niet in. Dat zou problemen kunnen creëren mocht iemand die een straatverbod opgelegd krijgt naar de rechtbank stappen en zich hierop beroepen om het straatverbod aan te vechten.

De minister van Justitie heeft ook gezegd dat de Raad van State hierover misschien ooit zal moeten oordelen. Feit is dat ze een koele minnaar is van het straatverbod, om niet te zeggen dat ze een tegenstander is.

Mijnheer de minister, bent u van mening dat die straatverboden hadden moeten worden ingeschreven in de gemeentelijke administratieve sancties in artikel 129bis van de nieuwe gemeentewet? Bent u van mening dat, indien ze niet ingeschreven staan zoals nu het geval is, ze toch behoren tot de mogelijkheid van de burgemeester als maatregel in het kader van de openbare ordehandhaving? Past deze maatregel binnen de handhaving van de openbare orde of niet? Wat is uw mening desbetreffend? Vindt u dat zo'n straatverbod kan worden uitgevaardigd door de gemeenteraad met een louter gemotiveerd besluit van de burgemeester? Moet het al dan niet kaderen binnen de gemeentelijke administratieve sancties? Kan het los daarvan? Vreest u moeilijkheden op juridisch vlak of niet? Bent u bereid dit te steunen of niet? Dit is de hamvraag waarover ik u nog maar weinig heb horen zeggen. Ik had ook graag geweten in hoeverre er voorafgaand aan deze beslissing in Antwerpen, overleg is geweest met u als voogdijminister. Bent u het politiek eens met deze beslissing en zult u ze ondersteunen vanuit uw functie als voogdijminister?

De voorzitter: Minister Keulen heeft het woord.

Minister Marino Keulen (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, geachte leden, mijnheer Dewinter, voor dit soort van reglementeringen bestaat geen specifiek toezicht. Dat betekent dat ik daarvoor mijn toestemming niet moet geven, het is niet aan mijn goedkeuring onderworpen. Ik kan in deze alleen maar optreden wanneer er derden zijn die onregelmatigheden of onwettelijkheden vaststellen.

Ik heb ondertussen het reglement laten opvragen. We gaan dat bekijken. Ik ben best bereid om u een specifiek antwoord te geven, maar dan, wat dit straatverbod betreft, abstractie makend van de verwoording van het reglement en de motivering.

Zelf geloof ik sterk in administratieve straffen om een lik-op-stukbeleid te kunnen voeren voor bepaalde vormen van overlast die vandaag eigenlijk niet meer worden bestraft door de parketten. Die parketten worden vandaag immers overvraagd. Ze kampen met een enorme werkdruk. Op deze manier zullen we die overlast die op het samenleven weegt in buurten, wijken, straten en pleinen, toch kunnen beteugelen. Bijvoorbeeld inzake zwerfvuil, hondenpoep en nachtlawaai krijgen de gemeenten de mogelijkheid om bestraffend op te treden, door middel van administratieve geldboetes. Dat staat trouwens in het regeerakkoord.

Ik ben die filosofie heel erg genegen. We zijn bezig dat op punt te stellen, door het ontwerpen van reglementen die de gemeenten kunnen overnemen. Ook nemen we dat aspect op in onze cursussen bestuurswetenschappen, zodat ambtenaren dat al mee krijgen in hun opleiding. Ook willen we de bestraffende ambtenaren - het gaat dan over juristen en gemeentesecretarissen - zo voorbereiden op die nieuwe taak. Onze uiteindelijke bekommernis is het wegwerken van die samenlevingsproblemen. Als problemen zoals nachtlawaai en zwerfvuil opduiken, dan moet de politiek iets doen om geloofwaardig te blijven.

Het gaat vaak om hetzelfde type van mensen die dergelijke problemen veroorzaken. Daar moeten we tegen kunnen optreden. Zo zullen we mensen kunnen bestraffen voor de problemen die ze voor hun omgeving en de samenleving veroorzaken, hopend dat we ze door die bestraffing zullen kunnen sensibiliseren, zodat ze tot rede komen en in de toekomst dat soort overlast niet meer creëren.

In dezelfde logica ben ik, abstractie makend van de verwoording van het reglement in Antwerpen, op zich niet tegen het straatverbod. Het gaat hier inderdaad over een drastische maatregel, maar het gaat ook over mensen die heel wat overlast creëren, zoals drugsdealers en straatprostituees. Dat zijn geen kleine jongens of meisjes. Ze zorgen ervoor dat het leven ernstig wordt bemoeilijk, om niet te zeggen onmogelijk gemaakt, voor de mensen die in die straten, pleinen en buurten wonen. De gemeente heeft dus de mogelijkheid om snel en doeltreffend een antwoord te bieden op deze reële samenlevingsproblemen.

Wat Antwerpen betreft, zullen we nagaan of dat correct werd verwoord. Dit idee en deze werkwijze ben ik, als toezichthoudend minister inzake de steden en gemeenten, zelf wel genegen. (Applaus bij de meerderheid)

De voorzitter: De heer Dewinter heeft het woord.

De heer Filip Dewinter: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik dank u ook voor uw bereidheid om het straatverbod te ondersteunen.

Ik hoop dat de juristen op uw kabinet nu geen stokken in de wielen zullen steken. U weet immers dat men op het federale niveau minder enthousiast is over de toepassing van deze maatregel. Dan heb ik het over de minister van Justitie en anderen. Die mensen beweren blijkbaar dat een en ander niet zou kunnen door middel van een gemeentelijk politiereglement en dat deze maatregel moet worden opgenomen in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet.

Hoe het ook zij, ik hoop dat het straatverbod in de praktijk kordaat en efficiënt zal kunnen worden toegepast. Ik hoop dat het de volle ondersteuning van u als voogdijminister zal krijgen.

Minister Marino Keulen: Ik ben terzake klaar en duidelijk geweest. Daar kan geen enkel misverstand over bestaan.

De voorzitter: Het incident is gesloten.