![]()
2006.12.18 Het
bestuursakkoord 2001-2006
2002.07.05 Het beleidsplan
Integrale veiligheidszorg
2002.09.04 College van burgemeester en schepen
2002.10.16 College van burgemeester en schepen
2003.02.19 College van burgemeester en schepen
2003.05.07 College van burgemeester en schepen
2003.10.09 Bewonerscontactgroep
Antwerpen Noord
2003.10.16 SODA themagroep
drugoverlast
2003.11.06 Bewonerscontactgroep
Antwerpen Noord
2003.11.26 SODA
themagroep
2004.03.05 College van
burgemeester en schepenen
2004.04.02 College van
burgemeester en schepenen
2004.05.12 Bewonerscontactgroep
Antwerpen Noord
2004.06.13 Gesprek met de burgemeester
2004.06.25 Overleg
Deconcentratie Drugs
2004.11.10 Stadsplan Veilig
2004.12.24 Overleg
Deconcentratie Drugs
2005.05.17 Gemeenteraad
2005.05.17 Politiecodex
2005.06.02 Senaat
In deze documenten hebben we de term
overlast en gerelateerde termen onderstreept. De passages waarin die termen voorkomen
hebben we chronologisch onder elkaar geplaatst.
Conclusie
Het straatverbod is niet als een donderslag
uit heldere hemel komen gevallen.
Binnen de veiligheidsketen, zijn zowel sociale
zaken, gezondheidszorg als onderwijs onderhevig zijn aan veiligheid.(zie
beleidsplkan Integrale Veiligheidszorg).
Het hele veiligheidsbeleid lijkt tegen
thuislozen gericht te zijn.
Beleidsdocumenten en collegeverslagen spreken
sinds 2000 van onveiligheidsgevoelens, subjectieve- en ervaren overlast.
Tegen ‘storend jongerengedrag’ en
daaraan verbonden ‘drugoverlast’ wordt sinds 2002 een
‘integrale aanpak van overlast’ vooropgesteld.(zie college 16
oktober 2002)
In 2004 besliste de stad om het geld van het
Grootstedenbeleid te gebruiken voor hun integrale veiligheidszorg. Bronnen van
overlast zouden op korte termijn weggewerkt worden.(zie college 2 april 2004)
Jongeren van allochtone afkomst worden
geviseerd(zie Stadsplan Veilig).
De politie trad niet of nauwelijks op tegen
straatdealers tijdens de 2 keer 100 dagen wanneer een mobiel politiekantoor op
het plein of in de buurt daarvan stond.(zie Deconcentratie Drugs)
We kunnen u op aanvraag alle documenten in
hun volledigheid toesturen.
De stad wil de veiligheid van
haar inwoners garanderen. Iedereen moet zich in de stad veilig kunnen voelen.
Veiligheid is ook een voorwaarde om de fundamentele rechten en vrijheden van de
mens te waarborgen. Deze vrijheden mogen niet worden ingeperkt door
onveiligheidsgevoelens.
Veiligheid is een fundamentele
behoefte van mens en maatschappij en sinds enkele decennia ook erkend als een
van de fundamentele rechten van de mens.(Universele Verklaring van de Rechten
van de Mens, art 3,10,10 december 1948)
Maatschappelijke entiteiten,
gaande van het gezin tot de staat, hebben nood aan veiligheid om zich te kunnen
ontplooien. Onveiligheid tast de kwaliteit van het leven aan en is een
voedingsbodem voor allerlei extreme fenomenen die een democratische evolutie
van de samenleving belemmeren.
In het kader van een invulling
van het begrip onveiligheid in een stedelijke context maken wij een onderscheid
tussen:
Waar nodig moet overlast snel,
efficiënt en accuraat worden aangepakt. Dat moet wijk per wijk gebeuren
omdat het storend gedrag of
de storende factor waarmee een bepaalde wijk geplaagd wordt zich in andere
wijken niet of maar heel weinig voordoet zodat hij er niet echt voor overlast
zorgt. In een samenleving zoals de
2. HET CONCEPT VAN
INTEGRALE VEILIGHEIDSZORG
Onder integrale veiligheidszorg
verstaat het federaal veiligheidsplan een allesomvattende aanpak die inspeelt
op alle factoren die de veiligheid kunnen bedreigen of bevorderen.
Integrale veiligheidszorg werkt
de vijf verschillende schakels van de veiligheidsketen uit waarbij voor een
prioriteit proactieve, preventieve, preparatoire, repressieve maatregelen en
nazorg in onderlinge samenhang worden genomen. (Pro-actie en preparatie worden
dikwijls onder de noemer preventie opgenomen waardoor drie schakels
overblijven).
|
Creëren van een positief sociaal klimaat |
Voorkomen van de diverse oorzaken van problemen of beperken van
de gevolgen |
PREPARATIEF Gepaste reactie, door en in samenwerking met alle mogelijk
betrokken partners |
Maatschappelijke reactie op ontolereerbaar gedrag door politie,
justitie, onderwijs, .. |
Opvang en begeleiding van daders en slachtoffers |
Veiligheidsketen
Deze aanpak veronderstelt een horizontale en een verticale
integratie van veiligheid. De vijf schakels moeten met elkaar horizontaal
verbonden zijn door het veiligheidsbeleid als een taak van iedereen te
beschouwen: onderwijs, welzijn, economische ontwikkeling, ruimtelijke ordening
en leefmilieu, sociale zaken, volksgezondheid, verkeer, politie en justitie.
De integrale veiligheidszorg
moet er toe bijdragen dat ook andere publieke en private partners dan politie
en justitie hun verantwoordelijkheid opnemen en vrijwillig meewerken aan het
bevorderen van de veiligheid. Dit veronderstelt een goede samenwerking tussen
alle betrokken actoren.
Op basis van overleg en
partnership en op grond van behoud van de eigen verantwoordelijkheden, draagt
elke betrokken partner bij tot een gecoördineerde aanpak van onveiligheid.
Door deze ruime veiligheidsbenadering kan het gezamenlijke doel van alle
actoren gedefinieerd worden als de verbetering van de stedelijke leefbaarheid.
De integrale veiligheidszorg
impliceert ook een verticale integratie van overheidsinterventies van het
lokale niveau tot het internationale niveau waarbij beleidsafstemming tussen de
diverse beleidsniveaus wordt betracht.
Geïntegreerde
veiligheidszorg impliceert ook vormen van co-financiering op basis van diverse
financieringsbronnen. Mogelijke financieringsbronnen zijn werkingsstructuren
zoals het Europees
Integrale en geïntegreerde
veiligheidszorg vraagt afstemming tussen de reeds bestaande beleidsplannen
waarbij rekening wordt gehouden met het integraal veiligheidsbeleid en aandacht
voor het veiligheidsthema vanuit verschillende disciplines en actoren.
3. CONCEPTUALISERING
VEILIGHEID
Het concept van integrale
veiligheidszorg, met inbegrip van de veiligheidsketen, houdt dus een ruime
veiligheidsbenadering in die veel meer omvat dan het bestrijden van
criminaliteit alleen.
Een veiligheidsbeleid dient
daarbij rekening te houden met drie invalshoeken
Volgens het Federaal
Veiligheidsplan wordt onder veiligheid verstaan
Dikwijls treedt verwarring op
bij de invulling van de begrippen criminaliteit, onveiligheid,
onveiligheidsgevoelens en overlast.
Een onderscheid kan gemaakt
worden tussen drie niveaus van vormen van onveiligheid (integriteit,
leefomgeving, leefkwaliteit) en in drie niveaus van onveiligheidbeleving (angst, onrust, onzekerheid).
Op microniveau (het niveau van
het individu en de persoonlijke integriteit) wordt een situatie onveilig als ze
beleefd wordt als een aantasting van de eigen fysieke, psychische of
materiële integriteit. Dit veroorzaakt angst.
Op meso-niveau, het niveau van
de eigen leefomgeving, wordt een situatie onveilig als ze beleefd wordt als een
aantasting van de eigen materiële en immateriële leefomgeving. Dit
gaat gepaard met onrustgevoelens waarbinnen ergernis en onbehagen worden
onderscheiden.
Op macroniveau, het niveau van
de bredere leefcontext en
leefkwaliteit, wordt een situatie onveilig als ze beleefd wordt als een
aantasting van de eigen leefkwaliteit. Het betreft hier de situering van het
individu in de verschillende maatschappelijke domeinen zoals gezin, onderwijs,
arbeid en vrije tijd. Aantasting veroorzaakt op dit niveau onzekerheid.
Het duiden van een situatie als
veilig of onveilig is een interpretatie op grond van contextelementen en
individuele basisschema’s en persoonskenmerken.
Het criterium om een situatie
als veilig te duiden is de afwezigheid van dreiging voor de fysieke, psychische
of materiële integriteit en de afwezigheid van gerelateerde
angstgevoelens. Angstgevoelens zijn de noodzakelijke en voorwaardelijke
gevoelens die affectief beleefd moeten worden opdat men van een
onveiligheidsgevoel kan spreken.
Onrust- en onzekerheidsgevoelens
op zich zijn niet het gevolg van een bedreiging van de integriteit en maken dus
niet het voorwerp van veiligheid uit.
In die zin dienen
overlastfactoren onderscheiden te worden van onveiligheidsgevoelens.
Allerlei als storend geïnterpreteerde elementen in de onmiddellijke leefomgeving die
onder de noemer overlast vallen, geven aanleiding tot onrustgevoelens,
ergernis, onbehagen. Zij vormen echter geen onmiddellijke bedreiging voor de
fysieke, psychische en materiële integriteit van iemand. Evenzo leiden
aantastingen van de leefkwaliteit niet de facto tot angst maar eerder tot
(bestaans)onzekerheid.
Overlast
wordt in verschillende bronnen als
volgt gedefinieerd:
‘Het ongenoegen dat bij de
bevolking ontstaat wanneer een bepaald storend gedrag al te vaak voorkomt of
wanneer een omgevingsfactor die ergernis veroorzaakt maar blijft aanslepen en
waardoor een onveiligheidsgevoel wordt veroorzaakt.’
‘De aantasting van de
leefbaarheid of het leefbaarheidgevoel door omgevingsfactoren van
materiële of personele aard.’
‘De openbare overlast
heeft betrekking op, voornamelijk individuele, materiële gedragingen die
het harmonieuze verloop van de menselijke activiteiten kunnen verstoren en de
levenskwaliteit van de inwoners van een gemeente, een wijk, een straat, kunnen
beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt.
Men kan de openbare overlast
beschouwen als lichte vormen van verstoringen van de openbare rust, veiligheid,
gezondheid en zindelijkheid.’
Deze laatste definitie lijkt de best
hanteerbare mits schrapping van het woord ‘openbare’.
Nochtans is er een wisselwerking
tussen de drie niveaus. Afhankelijk van het individu en de context kan een overlastfactor of een cumul van overlastfactoren worden
geïnterpreteerd als een integriteitdreiging
en aanleiding geven tot onveiligheidsgevoelens. Zo kan ook een aantasting van
de leefkwaliteit een individu gevoeliger maken om een situatie te interpreteren
als onveilig.
Het college keurde vandaag
het project ‘integrale aanpak
van de overlast’ via het concept ‘projectmanager overlast’ goed. De
‘projectmanager overlast’ zal via de vzw SOMA de overlastproblemen
duiden, een geïntegreerde aanpak voorstellen en, na rapportering aan de
stuurgroep en in samenwerking met het managementcomité, een actiegericht
beleid voeren.
Verschillende bronnen -
waaronder de indicatoren van professor Kesteloot (KUL), de
criminaliteitscijfers van de Lokale Politie Antwerpen, de kwalitatieve en
kwantitatieve gegevens verzameld door de beleidscel preventie, de geanalyseerde
cijfers van de stedelijke sluikstortcel, de activiteiten en wensen van
bewonersgroepen en de statistische gegevens over leegstand en verkrotting -
werden ondertussen geraadpleegd om tot een oplijsting van de meest voorkomende types van overlast te komen:
De aanpak van overlast in de stad door het stadsbestuur is niet
nieuw. Het stadsbestuur levert al geruime tijd veel inspanningen om Antwerpen-Noord
opnieuw aangenaam te maken. Met tal van acties werden onder meer huisjesmelkers
(Krot Op), de drugsproblematiek,
het sluikstorten en de tippelprostitutie
in deze buurten aangepakt. Acties die mogelijk werden gemaakt door een
uitbreiding van het personeelskader en nauwgezet opgevolgd worden door speciaal
hiervoor ingezette medewerkers. De initiatieven zijn allesbehalve onopgemerkt
voorbij gegaan en werpen ondertussen hun vruchten af: de sluikstortcijfers
dalen en de verkrotting wordt teruggedrongen via het sluiten van verwaarloosde
gebouwen en het uitvoeren van renovaties. De overlastmanager gaat deze
acties mee coördineren en zo goed mogelijk op mekaar afstemmen, zodat een
optimaal resultaat kan bekomen worden.
Een uitbreiding van acties wordt
op korte termijn in eerste fase voorzien naar drie omgevingen. Het gaat om
buurten waar de overlast ook hoog scoort en er momenteel nog geen integrale
aanpak uitgebouwd is. Concreet gaat het om de omgeving Den Drink en
Krugerplein, Abdijstraat en omgeving en de Provinciestraat, gekoppeld aan een
gedeelte van de wijk Oud-Borgerhout. De overlastmanager gaat ook voor deze
buurten erop toezien dat het sluikstorten, het
storend en crimineel gedrag van sommige jongeren, de verkrotting en
leegstand en de drugsproblematiek zullen aangepakt worden. Hiervoor zal hij aan
het college van burgemeester en schepenen voorstellen formuleren voor een goede
samenwerking van alle betrokken diensten en een optimale integratie van de
verschillende acties.
Project overlast
Overzicht gevoerde actie
Waar?
– Borgerhout Noord
– Provinciestraat
Periode?
20 februari tot en met 20
maart 2003.
Doel
– Tastbaar verschil
voor de wijk.
– Nog geen
rechtstreekse impact op de oorzaken.
2003 Project overlast 5
Rondhanggedrag en
drugdealen
– Uit straatbeeld
tijdens actieperiode.
– Vermoeden van
verschuivingeffect
Oorzakenaanpak
Verschuiving actie
Geregistreerde
criminaliteit
–
Daling door “toezichts- en aandachtspunten” en “symptoomaanpak”
1
Prostitutie
·
Spoedige beslissing aanduiding gedoogzone tippelprostitutie (buiten
de zone 2060!).
·
Toepassing van het verbod voor tippelprostitutie in Rooseveltbuurt,
controle door de politie.
·
Kan er een uitbreiding komen van het WOT team politie City voor 24u
permanentie ten aanzien van prostitutie?
2
Drugsverslaving
·
Strengere aanpak van de drugsverslaafden.
·
Betere opvang, snellere hulpverlening.
·
Spreiding van de hulpverlening, instellingen over de hele stad.
·
De opvang en spreiding van gebruikers moet op korte termijn naar
andere stadsdelen verhuizen.
|
Beknopte samenvatting van het initiatief |
|
Het Stedelijk Overleg Drugs Antwerpen (SODA) organiseert sinds
maart 2003 een themagroep drugoverlast bestaande uit vertegenwoordigers van
drughulpverlening, algemeen welzijnswerk, preventie, politie, druggebruikers
en bewoners. De focus van deze themagroep ligt op het gebied Atheneumbuurt (postcode
2060). Ze is intersectoraal samengesteld met het oog op de ontwikkeling van
een omvattend plan voor betere zorg en opvang van druggebruikers en voor
vermindering van drugoverlast. Een globaal maatregelenpakket bestaande uit
een actieplan voor de buurt en een actieplan voor risicogroepen wordt
gepresenteerd in het ‘Draaiboek
Oorzakenaanpak Drugoverlast’. In het overgangsjaar 2004 kan reeds begonnen worden met de
uitvoering van initiatieven die in beide actieplannen voorkomen: acties
omtrent tijdsbesteding van druggebruikers en communicatie met de
buurtbewoners. Dat laatste wordt in het draaiboek beschouwd als een conditio
sine qua non om bij alle betrokkenen een realistisch verwachtingspatroon te
ontwikkelen aangaande de mogelijkheden in de aanpak van overlast. Dit projectvoorstel is gericht op de (gespannen) verhouding
tussen het druggebeuren en de buurtbewoners. Het project wil enerzijds
druggebruikers activeren om positieve actie te ondernemen in de buurt.
Anderzijds dient communicatie opgezet om onder meer buurtbewoners en
(toekomstige) buurtgebruikers (bibliotheek, stadskantoor enz.) te informeren
over het drugfenomeen en de stedelijke en niet-stedelijke initiatieven die
hier professioneel rond werken. |
|
Activiteiten |
|
Beschrijving van de geplande acties Een team van projectmedewerkers zal instaan voor de uitvoering
van volgende opdrachten: 1.
Activering en empowerment van de doelgroep om naar de buurt toe
positieve acties te ontplooien. Via de uitbouw van een peersupport-netwerk
worden druggebruikers gemobiliseerd om:
·
positieve (en zichtbare) acties te verrichten die de buurt
rechtstreeks ten goede komen zoals afval opruimen, ophalen van
injectienaalden via de spuitenpatrouille enz. Binnen dit luik dienen de
mogelijkheden te worden onderzocht om druggebruikers in te schakelen via een
PWA of ander statuut. ·
elkaar te sensibiliseren in het opnemen van verantwoordelijkheid
ten aanzien van zichzelf (veilig gebruiken, gezondheidspromotie) en de buurt
(overlast, achterlaten van gebruikte
spuiten en afval). ·
een activiteitenaanbod uit te werken, i.s.m. de partners, dat een
alternatief vorm voor (storend) rondhanggedrag. 2.
Communicatie opzetten naar o.m. buurtbewoners en (toekomstige)
buurtgebruikers (bezoekers bibliotheek, stadskantoor) om hen te informeren
over het overlast- en drugfenomeen
en de stedelijke en niet-stedelijke initiatieven die hier professioneel rond
werken. De communicatie kan o.m. gaan over oorzaken en effecten van
druggebruik, hulpverlening; over marginaliteit, restgroepen; over diverse vormen van overlast en
de aanpak ervan. Communicatie wordt gericht naar: ·
Buurtbewoners en buurtgebruikers via stedelijk wijkoverleg,
bewonersgroepen, publicaties,... ·
Druggebruikers: informeren over initiatieven, bewonersvragen, overbrengen
van preventieboodschappen,... ·
Professionele partners: (drug)hulpverlening, straathoekwerk,
outreachwerk, opbouwwerk, Bibliotheek, DEMOS e.a. i.v.m. initiatieven van
druggebruikers, partnerorganisaties, … ·
Stedelijk beleid. Randvoorwaarden: intensieve ondersteuning van de
projectmedewerkers en inhoudelijke uitbouw van beide projectpijlers door een
stuurgroep bestaande uit vertegenwoordigers van o.m. Dagcentrum De Sleutel,
MSOC/Free Clinic, buurtbewoners, DEMOS (Kenniscentrum Stedelijkheid, Permeke-site),
Volvox, BAD, Politie, ’t Vlot, Opbouwwerk, SODA. Communicatie in verband met het initiatief Communicatie is een cruciaal onderdeel van het
project. De ontwikkeling van een strategie om naar derden te communiceren
over het project ligt voor de hand. |
|
|
|
|
·
De extra capaciteit wordt voor een aantal belangrijke projecten
ingezet:
Tippelprostitutie in de Atheneumbuurt opnieuw
aanpakken. Deze moet volledig verdwijnen. Er komt ook geen tippelzone elders in
Antwerpen. Serge Muyters heeft een 100-dagen plan dat na afloop zal
geëvalueerd en bijgestuurd worden.
Dit project wordt echter niet losgelaten na 100 dagen.
Aanpak van de problemen op het De Coninckplein: het naleven van
bestaande regels, wetten, reglementeringen en dergelijke wordt strenger
aangepakt. Deze aanpak wordt
geëvalueerd naargelang de resultaten zichtbaar worden.
1.
100-dagen actie van
politie in de Atheneumbuurt
·
Op de
bewonerscontactgroep van 6/11 kondigde de burgemeester repressieve acties aan
ten aanzien van tippelprostitutie.
Morgen (27/11) vindt, op uitnodiging van de politie, een overleg plaats met betrokken
actoren van de Atheneumbuurt (drughulpverlening, BAD, SODA, …). Verwacht
wordt dat politie zal vragen naar de mogelijkheden van de hulpverlening in het
opvangen van de prostituees.
·
De huidige mogelijkheden
vanuit de hulpverlening zijn beperkt. Free Clinic heeft contact met de vrouwen
en voorziet in begeleiding, maar hen van de straat houden gaat nu eenmaal niet
vanuit een hulpverleningskader. Een huiskamerproject kan een tussenoplossing
zijn, maar het heeft geen zin dergelijk project uit te voeren wanneer het
beleid vertrekt vanuit een repressief kader. Van de installatie van een
tippelzone is vanuit het beleid geen sprake meer. Een oplossing bestaat er nog
steeds in, zoals vermeld in het draaiboek, enkele hotels te gedogen (2
à3).
·
Er zijn twee stromingen.
Enerzijds zijn er binnen het stedelijk wijkoverleg bepaalde bewoners die veel
druk leggen op het beleid om op korte termijn actie te ondernemen. Anderzijds
is er het lange termijn beleid dat binnen deze themagroep wordt uitgewerkt.
Vraag is wat de gevolgen zijn van de korte termijn acties op de beleidsvisie en
de maatregelen die de themagroep uitwerkt?
·
De communicatie die de
stad voert rond prostitutie is niet realistisch. Het is zeer onwaarschijnlijk dat
de prostitutie nooit meer terugkomt naar de buurt. Toch lijkt het niet zinvol
om vanuit deze groep de bewoners ervan te overtuigen dat de korte termijn
aanpak niet realistisch is. Immers, heel wat bewoners kunnen/willen dit niet
zien.
·
Beleidsvoorstellen voor
die lange termijn aanpak worden binnen deze themagroep uitgewerkt en kunnen als
dusdanig het tegengewicht zijn voor de korte termijn aanpak.
·
De themagroep
drugoverlast vindt het belangrijk om aan politie en beleid mee te geven dat de
repressieve acties verregaande gevolgen zullen hebben en de problemen op lange
termijn niet zullen oplossen: de vrouwen zullen meer thuis gaan werken, escorte
doen, werken op afgelegen plekken en meer verspreid, er zullen meer
verkrachtingen plaats vinden, … kortom de prostitutie zal minder
beheersbaar worden, nog problematischer en op lange termijn meer risico’s
inhouden voor de algemene volksgezondheid. Het oppakken van de prostituees zal
er ook voor zorgen dat de schulden die zij hebben nog verhogen.
·
De burgemeester heeft op
de bewonerscontactgroep
gezegd dat de hulpverlening wordt gemobiliseerd eens de acties van politie
voorbij zijn. Bijgevolg dient met de burgemeester en met schepen Grootjans
overleg te komen over de lange termijn aanpak die in deze themagroep, en op
vraag van schepen Grootjans, wordt uitgewerkt.
·
Aan burgemeester en
schepen Grootjans wordt tevens het advies gegeven om na de 100-dagen actie uit
te pakken in de media met de lange termijn aanpak.
·
Voor de bib zijn twee
zaken belangrijk die verband houden met de beeldvorming
van de omgeving: 1) het personeel van de bib moet willen verhuizen naar het De
Coninckplein en het publiek moet er willen komen en 2) de vrees dat wanneer de
bib opent in april 2005 het een plek zal worden waar mensen gaan gebruiken.
·
De bib ondersteunt
bijgevolg het onderzoek naar de haalbaarheid en wenselijkheid van de
installatie van een gebruiksruimte. Daarnaast staan ze achter het idee van
kwaliteitslabels voor de horeca op en rond het plein. Ze willen de diensten die
hier rond werken mobiliseren om op het De Coninckplein een pilootproject te
starten. Het probleem is dat de betrokken diensten aan het kwaliteitslabel een
andere invulling geven. Ook speelt de vraag hoe je een plein opwaardeert zonder
de oorspronkelijke bewoners weg te jagen.
·
In januari start een stuurgroep gemeenschappelijke aanpak
Atheneumbuurt. Dit is een initiatief van schepen Grootjans, Marjan
Knockaert, wd. korpschef Baelemans en Tina Janssens. Deze stuurgroep zal alle
facetten van de wijk bekijken.
·
Het project veiligheidsproblemen (zie verder), het stedelijk overlastproject en de
werkzaamheden van de themagroep drugoverlast dienen op elkaar afgestemd te
worden. Het project ‘veiligheidsproblemen in de stad Antwerpen’
(hotspots) is een samenwerking tussen vzw Potva, de stad en de universiteit van
Gent. Jessica Hoste is projectleidster. Het begeleidingscomité van het
project (met daarin o.m. wd. korpschef Baelemans) heeft aan de projectfiche
‘Activering van harde kern druggebruikers’ de hoogste prioriteit
toegekend. Dit project is ingediend binnen het Grootstedenbeleid 2004 en wordt
mits goedkeuring van de Federale overheid uitgevoerd door Dagcentrum De
Sleutel.
Het programma bestaat uit 3
inhoudelijke luiken: · Leefbare
wijken · Integrale aanpak risicojongeren
en jongerencriminaliteit · Pilootproject Straatbeeld
Luik 1: Leefbare wijken Met het
federale Grootstedenbeleid wil de stad de leefbaarheid in vier sleutelwijken
verbeteren. De middelen gaan in hoofdzaak naar heraanleg van het openbare
domein, de verbetering van de woonkwaliteit van de wijken, versterking van de
wijkontmoetingsfunctie, bewonersondersteuning en overlastbestrijding.
In de vier sleutelwijken zal op
een verschillende manier gewerkt worden aan leefbaarheid.
De werkgroep "Integrale veiligheid" kreeg
van het college opdracht om een actieplan uit te werken voor de Atheneumbuurt
voor 2004-2007. Wegens opportuniteiten
naar subsidiëring binnen het federaal grootstedenbeleid voor 2004
werd de oorspronkelijke timing - waarbij het actieplan 2004-2007 eind 2004 aan
het college zou worden voorgelegd - doorkruist. Het federaal grootstedenbeleid
is een subsidieprogramma van de federale regering ter ondersteuning van de
grote steden.
Bij collegebeslissing van 4
september 2002 en van 16 oktober 2002 werd het project 'integrale aanpak van overlast' opgestart in drie wijken, en
werd een stuurgroep samengesteld en geïnstalleerd. Er werd beslist te
werken rond 4 prioritaire fenomenen namelijk sluikstorten, storend en crimineel gedrag van sommige jongeren, de
verkrotting en de leegstand en de drugsproblematiek. Op 19 februari 2003 gaf
het college zijn goedkeuring aan de uitbreiding van het werkterrein met een
vierde wijk, namelijk Atheneumbuurt-De Coninckplein.
Het actieplan Atheneumbuurt 2004 situeert zich op volgende vlakken:
·
Thematische acties focussen op het wegwerken van (de bronnen van) overlast op korte termijn, zoals
huisjesmelkerij, drugs, sluikstort, verkeer en openbaar domein.
·
Gebiedsgerichte acties: er werden twee strategische zones
weerhouden die een nefaste invloed hebben op het imago en het functioneren van
de wijk, nl. De Coninckplein en de Centrumas.
·
Meerdere ruimtelijk ondersteunende acties op bouwblokniveau zijn
noodzakelijk om de wijken terug een aantrekkelijk woonklimaat te geven.
·
Communicatieve acties zijn noodzakelijk om de negatieve
berichtgeving rond deze buurt een halt toe te roepen en de nadruk te leggen op
de vele initiatieven die de Stad er de afgelopen jaren heeft gerealiseerd. Het
creëren van een positief klimaat draagt bij tot de coöperatie met
alle betrokken actoren, het bereiken van een consensus en brengt een nieuw elan
naar de buurt.
Voorgeschiedenis
datum jaarnummer
onderwerp
04/09/2002 9803 Opstart
project “Integrale aanpak van
Overlast”
19/02/2003 1834 Toevoegen Atheneumbuurt aan project
Overlast
07/05/2003 4558 Opdracht tot uitwerken actieplan en
langetermijnvisie voor de Atheneumbuurt door Overlast
en Planningscel
07/11/2003 11933 Goedkeuring
actievoorstellen Atheneumbuurt in het programmavoorstel FGSB 2004 (via AG VESPA)
29/12/2003 13844 Bijkomend
onderzoek naar concept
Gebruikersruimte Drugs door het Instituut voor Onderzoek
naar Leefwijzen & Verslaving (via bedrijfseenheid burgerzaken /stedelijk
overleg
drugs Antwerpen)
Dit
collegepunt werd verdaagd in collegezitting van 12 maart 2004 (jaarnummer
2380).
Feiten en context
Bij collegebeslissing van
4 september 2002 (jaarnummer 9803) en van 16 oktober 2002 (jaarnummer 11755)
werd het project ‘integrale aanpak van overlast’ opgestart in drie
wijken, en werd een stuurgroep samengesteld en geïnstalleerd. Er werd
beslist te werken rond 4 prioritaire collegebesluit: 3294 van vrijdag 2 april
2004
Pagina 2 van 4
fenomenen namelijk
sluikstorten, storend en crimineel
gedrag van sommige jongeren, de verkrotting en de leegstand en de
drugsproblematiek.
Op 19 februari 2003
(jaarnummer 1834) gaf het college zijn goedkeuring aan de uitbreiding van het
werkterrein met een vierde wijk, namelijk Atheneumbuurt-De Coninckplein.
Op 7 mei kreeg de
stuurgroep de opdracht om:
1 Een draaiboek
te ontwikkelen voor de oorzakenaanpak in de 4 geselecteerde buurten:
- drugs (Atheneumbuurt – korte en lange termijnacties) tegen
einde juni 2003
- storend rondhanggedrag
door jongeren tegen half september 2003
- sluikstort tegen half juni 2003
- verkrotting en verloedering tegen half juni 2003
3 een voorstel uit te
werken voor het project “Karavaan” met opgave van de implicaties op
het vlak van personeel en middelen
4 een opvolgings- en
evaluatiesysteem voor het project overlast te ontwikkelen.
Op 1 juli 2003 werd de
verkenningsnota Atheneumbuurt toegelicht op een kabinettenoverleg.
In de periode
september-december 2003 werd het actieplan uitgewerkt ter indiening bij het
Federaal Grootstedenbeleid.
Op 5 februari 2004 werd het aangepaste actieplan, projectenoverzicht en
aangepaste timing voorgelegd aan dit kabinettenoverleg.
Argumentatie
In de voorbereidende fase
werd heel wat informatie verzameld en werden veel contacten gelegd met
aanwezige actoren. Dit resulteerde in een aantal tussentijdse documenten:
- “verkenningsnota
- analyse van ruimtelijke structuur in deelzones”: gebrek aan visie en
profilering voor ‘De Coninckplein’ en ‘Centrumas’,
mobiliteitsconflicten,
- “verkenningsnota
- analyse van sociale structuur”: kwetsbare groepen, weinig
socio-economische draagkracht, multiculturaliteit, sterke concentratie van
drughulpverlening,
-
“Buurtinterviews”: nadruk op huisjesmelkerij, straatbeeld,
verkeersdruk en drugs-gerelateerde
overlast,
- project
“Veiligheidsproblemen in Antwerpen” door prof. Ponsaers, nota
“Contextualisering van Overlast”
door Veiligheid/Integrale Veiligheid, “Omgevingsanalyse
Atheneumbuurt” door Veiligheid/Integrale Veiligheid in samenwerking met
de Databank Sociale Planning,
“Terreinopname
Atheneumbuurt” door Ontwikkelingsbedrijf / Beleid / Planningscel / G.I.S.
ism Tempera vzw.
Op basis hiervan, en
wegens de uitgelezen kans om projectvoorstellen in te dienen bij het Federaal
Grootstedenbeleid, werd in overleg met de kabinetten zeer snel overgegaan tot
het opstellen van een voorstel van actieplan Atheneumbuurt 2004. Deze situeren
zich op volgende vlakken:
1. Thematische acties
focussen op het wegwerken van (de bronnen van) overlast op korte termijn, zoals
huisjesmelkerij, drugs, sluikstort, verkeer en openbaar domein. Hierin werden
volgende acties uitgewerkt:
collegebesluit: 3294 van
vrijdag 2 april 2004 Pagina 3 van 4
Actie 1 - KROT SPOT op
vlak van huisjesmelkerij,
Actie 2 - deconcentratie van
drugshulpverleningscentra en (publiek) druggebruik, 2 Gebiedsgerichte
acties: er werden twee strategische zones weerhouden die een nefaste invloed
hebben op het imago en het functioneren van de wijk:
Actie 3 - De centrumas (Rooseveltplaats –
Astridplaats tot Ommeganckstraat) wordt momenteel fragmentair aangepakt
maar is chaotisch georganiseerd qua mobiliteit en functies en moet
ontegensprekelijk vernieuwd worden als krachtige grootstedelijke plek.
Actie 4 - De Coninckplein
is centraal gelegen maar huisvest meerdere (groot)stedelijke functies die niet
altijd in harmonie zijn met het woonkarakter van de omliggende wijken. 3
Meerdere ruimtelijk ondersteunende acties op bouwblokniveau zijn noodzakelijk
om de wijken
terug een aantrekkelijk
woonklimaat te geven. 4 Communicatieve acties zijn noodzakelijk om de negatieve
berichtgeving rond deze buurt een halt toe te roepen en de nadruk te leggen op
de vele initiatieven die de Stad er de afgelopen jaren heeft gerealiseerd. Het
creëren van een positief klimaat draagt bij tot de coöperatie met
alle betrokken actoren, het bereiken van een consensus en brengt een nieuw elan
naar de buurt.
Deze vier acties –
Krotspot, Deconcentratie, De Coninckplein en Centrumas - werden ingediend via het programmavoorstel
Federaal Grootstedenbeleid 2004 van AG VESPA – en goedgekeurd op het
college van 7 november 2003 (jaarnummer 11933). Deze acties dienen verder
uitgediept en worden na één jaar geëvalueerd, waarna ze
verder opgenomen worden in het actieplan 2005-2007.
Deze lijst is bovendien
niet limitatief: meerdere acties kunnen in overleg met de actoren nog
gedetecteerd - en ingediend - worden.
In overleg met de
kabinetten werd ervoor geopteerd om de opmaak van het actieplan 2005-2007 uit
te werken in 2004, voortbouwend op de voorgestelde acties in 2004. Deze worden
opgemaakt door het projectteam
Atheneumbuurt dat wordt versterkt met nieuw aangeworven (of aan te
werven) en gemandateerd personeel voor de Atheneumbuurt. Sollicitaties in de
verschillende betrokken diensten zijn hangende, wachtend op goedkeuring van het
projectvoorstel Federaal Grootstedenbeleid 2004 op Federaal niveau.
Op vlak van
coördinatie wordt een organisatiestructuur voorgesteld waarbinnen alle
betrokken actoren rond deze buurt zullen samenwerken. Wegens de complexiteit en
verscheidenheid van dit dossier, waarbij de invalshoeken sterk gericht zijn op
veiligheid&overlast enerzijds en op duurzame ruimtelijke ingrepen
anderzijds, wordt aanbevolen om de coördinatie op te nemen door
meerdere regisseurs,
zijnde respectievelijk de bedrijfsdirecteur Sociale Zaken mevr. Marjan
Knockaert, de aan te stellen bedrijfsdirecteur integrale veiligheid en de
coördinator Planningscel dhr. Dries Willems. Onder deze regisseurs komen
de projectverantwoordelijken binnen de verschillende betrokken actoren, zijnde
het stedelijk ontwikkelingsbedrijf/beleid/planningscel,bedrijfseenheid
burgerzaken/woondienst, bedrijfseenheid burgerzaken /stedelijk overleg drugs
Antwerpen,
bedrijfseenheid veiligheid/politie, bedrijfseenheid veiligheid /integrale
veiligheid, bijgestaan door hun projectmedewerkers.
Veiligheid A-Punt
2. Integrale Veiligheid.
Structuur bedrijfseenheid integrale veiligheid. Princiepsbeslissing.
Introductie beleidsrichtlijn (Jaarnummer 3627)
Het college keurt de
structuur van de bedrijfseenheid integrale veiligheid goed.
Motivering
Voorgeschiedenis
Het bestuursakkoord
2001-2006 beklemtoont het belang van integrale veiligheid: ‘veiligheid in
een grote stad omvat veel meer dan politioneel of justitieel optreden en past
in een globale benadering van de samenleving. Veiligheid is een zaak van
iedereen, van de overheid, van de verenigingen, van het bedrijfsleven en
natuurlijk van de burgers zelf. In een democratische samenleving spelen de
overheidsdiensten, het stadsbestuur, de politie en justitie natuurlijk een zeer
belangrijke rol, vooral omdat zij over de macht beschikken om te normeren, te
reguleren en om de naleving van de gestelde normen desnoods af te dwingen. Een
veiligheidsbeleid kan echter maar
efficiënt zijn
wanneer het de resultante is van de inspanningen van alle partners, maar
waarbij de overheidsdiensten de regie moeten voeren’.
Op 4 september 2002
(jaarnummer 9803) keurde het college de organisatie van de integrale aanpak overlast via het project ‘overlastmanager’
goed.
Na een klacht van de CCOD
bij de gouverneur van de provincie Antwerpen tegen dit collegebesluit oordeelde
het college dat, gezien de hoge stedelijke prioriteit van het project overlast,
een mogelijke opschorting ervan in het kader van het administratief toezicht
moest
vermeden worden. In
zitting van 10 januari 2003 (jaarnummer 201) trok het college de artikels 4 en
6 van het collegiaal besluit van 4 september 2002 (jaarnummer 9803) in.
Op 7 mei 2003 (jaarnummer
4558) gaf het college opdracht aan het project
overlast om o.m. een voorstel uit te werken voor het project
“Karavaan” met opgave van de implicaties op het vlak van personeel
en middelen.
Met zijn beslissing van
13 oktober 2003 (jaarnummer 1979) keurde de gemeenteraad het
personeelsbehoefteplan, met ingang van 1 januari 2004, goed dat voorziet in een
projectdirecteur integrale veiligheid.
Feiten en context
De voorbije tien jaar
werden vanuit verschillende beleidsinstanties en -domeinen verscheidene
maatregelen genomen ter verhoging van de leefbaarheid en veiligheid in de stad.
Bij de politie startten
onder de noemer ‘gemeenschapsgerichte politiezorg’ opeenvolgende
reorganisatieprocessen. Binnen de veiligheids- en preventiecontracten werden
afzonderlijke projecten opgestart zowel naar specifieke onveiligheidsfenomenen als doelgroepen.
Ook vanuit de
grootstedelijke problematiek werden specifieke initiatieven genomen o.m. op het
vlak van risicojongeren, prostitutie en verloedering van de wijk en het
straatbeeld.
Er kwamen afzonderlijke
projecten in het kader van de drughulpverlening en voor de aanpak van drugsgerelateerde onveiligheid.
Tenslotte zagen ook meerdere projecten het licht inzake stadsrenovatie en
stadsherwaardering.
Ondanks de grote en
waardevolle inzet vanuit al deze projecten en actoren werken deze initiatieven
evenwel vaak zonder voldoende interne en onderlinge afstemming en
coördinatie, zijn de doelstellingen van deze projecten en
beleidsmaatregelen zowel intern als onderling onvoldoende coherent uitgewerkt,
en hanteren ze een verschillende timing onder meer te wijten aan een complexe
en versnipperde financieringswijze.
In verscheidene wijken
van de stad leidde dit soms tot een problematische beleidsuitvoering, en dit in
het bijzonder wat betreft de gezamenlijke aanpak van wat onder fysieke en
sociale overlast kan worden verstaan: verkrotting van de buurt en verloedering
van het straatbeeld, de kwalitatieve aftakeling van handels- en horecazaken, de
toenemende interpersoonlijke en escalerende conflicten en geweldplegingen, vaak
met racistische vertalingen, het daarmee verbonden problematisch claimgedrag van jongerengroepen, de
verkeersoverlast, de druggerelateerde
overlast e.a..
Met andere woorden bij de
vele projecten en actoren op het terrein is er een grote behoefte ontstaan aan
inhoudelijke en organisatorische afstemming en samenhang, en dit vanaf het
beleidsniveau doorheen de verschillende projectorganisaties tot op de
werkvloer, om alzo tot een meer integrale aanpak van onveiligheid en
leefbaarheid in de buurt te komen.
Om zulke integrale aanpak
te realiseren is een bedrijfseenheid integrale veiligheidszorg nodig, die kan
instaan voor een efficiënte beleidscoördinatie en regievoering over
de verscheidene veiligheids- en preventieprojecten in de stad.
Onder regie van deze
bedrijfseenheid werken de verschillende actoren gezamenlijk een integraal
beleid uit ten aanzien van fenomenen die onveiligheid en onleefbaarheid
veroorzaken.
In die zin dienen
projecten en projectstructuren zoals het veiligheids-en preventiecontract, de
projecten uit het grootstedenbeleid zoals o.m. VISIEr, de projecten van SODA,
de verkeersveiligheidsinitiatieven e.a. gezamenlijk integrale en coherente
beleidsanalyses en
beleidsmethodieken te
ontwikkelen en vervolgens aan te geven hoe ze deze door middel van goede coördinatie
op het terrein zullen realiseren.
Anderzijds is voor de
beleidsrealisering van deze integrale aanpak nood aan een goed aangestuurd team
van lokale actoren. Zij zorgen ervoor dat op maat van specifieke buurten of
plaatsen zoals bv. pleintjes de verschillende lokale veiligheids- en leefbaarheidsproblemen, en in
het bijzonder de overlast, op integrale en goed gecoördineerde wijze
duurzaam worden aangepakt.
In die zin worden de
pleinconsulenten en hun coördinator ingebed in de bedrijfseenheid integrale
veiligheidszorg en wordt hun taak verruimd met de coördinatie en
aansturing op het terrein van deze integrale aanpak. Zij behoeven hiertoe ook
een goede afstemming met en ondersteuning vanuit verschillende stedelijke
bedrijfseenheden, alsook vanuit politie.
Om maximale fijnmazigheid
en beleid op maat te realiseren werken de pleinconsulenten vanuit de buurten,
aangeduid op basis van objectieve analyse, waar ze al dan niet voor een
bepaalde termijn worden ingezet.
Met betrekking tot de
politie is het dan van groot belang dat via de bedrijfseenheid integrale
veiligheidszorg een goede afstemming wordt gerealiseerd tussen het
politiebeleid, i.c. de aanpak en uitvoering van de beleidsprioriteiten uit het
zonale veiligheidsplan, en de andere lokale actoren en projecten in de stad.
Een integrale aanpak van
veiligheid behoeft tenslotte een verdere ontwikkeling van het zgn.
‘gewapend bestuur’ en het
‘rampenbeleid en technische openbare veiligheid’, twee zaken die
gezien hun specificiteit en benodigde expertise een aparte afdeling worden
binnen de bedrijfseenheid integrale veiligheidszorg.
De bedrijfseenheid
integrale veiligheidszorg bestaat daarom uit vier cellen:
a) een cel
‘integrale projecten’ die fenomeengericht werkt
b) een cel‘overlast en leefbaarheid’
die plaatsgericht werkt
c) een cel ‘gewapend bestuur’
d) een cel
‘rampenbeleid en technische openbare veiligheid’
Advies
Er werd advies gevraagd
aan IF op 7 april 2004.
IF heeft kennisgenomen van
de princiepsbeslissing en heeft geen verdere bemerkingen (ref:00/2004/04/041).
Argumentatie
De bedrijfsdirecteur
integrale veiligheid
De bedrijfsdirecteur
integrale veiligheid staat in voor de regie, de coördinatie en de
uitvoering van het integrale veiligheidsbeleid. In nauwe samenwerking met de
strategisch coördinator en de stadssecretaris, en tevens als lid van het
managementcomité, creëert de bedrijfsdirecteur integrale veiligheid
hiertoe de nodige beleidsmatige ruimte en operationele capaciteit. Dit wordt
geëxpliciteerd in bindende dienstverleningsovereenkomsten met de
stedelijke bedrijfseenheden en andere betrokken actoren. Tevens wordt
structureel afgestemd en samengewerkt met politie en brandweer onder meer via
participatie aan de zonale veiligheidsraad en de politiebriefing.
Anderzijds heeft de
directeur de leiding over de verschillende cellen en bewaakt hij/zij daarbij
hun onderlinge samenhang en afstemming. De bedrijfsdirecteur integrale
veiligheid wordt ondersteund door een stafdienst. Deze laatste staat in voor de
integrale beleidsconceptie en voorbereiding, en dit op basis van gedegen
analyse en evaluatie. Op stafniveau zorgt een terbeschikkinggestelde
politieofficier voor de permanente afstemming met politie. Verder verzorgt de
stafdienst het fondsenmanagement en –beheer van de betrokken projecten en
contracten, inclusief boekhouding en administratieve ondersteuning (onder
andere notulussysteem). Tenslotte wordt van hieruit een
coherente interne en
externe communicatie over het integrale veiligheidsbeleid ontwikkeld.
De cel ‘integrale
projecten’
De cel ‘integrale
projecten’ staat in voor de uitwerking van een integrale aanpak van de
diverse stedelijke
onveiligheidsfenomenen. Ze steunt hierbij op gedegen en gezamenlijke fenomeenanalyses van waaruit
coherente beleidsplannen en methodieken worden ontwikkeld.
Vervolgens zorgt ze voor
onderlinge afstemming van de verschillende projecten, alsook voor de opvolging
en evaluatie ervan. Kerntaak van de cel vormt m.a.w. de bewaking van de
integraliteit en dit in functie van interne en externe coherentie.
Qua fenomenen spitst de
afdeling zich toe op een integrale
aanpak van drugs, risicojongeren, prostitutie, verkeersveiligheid en
zorgt hierbij ook voor afstemming met de politionele (ook preventieve)
projecten uit het zonaal veiligheidsplan. Per fenomeen worden hiertoe
beleidsplannen met methodieken uitgewerkt, waarbij alle elementen uit de
veiligheidsketen, pro-actie, preventie, preparatie, repressie en curatie aan
bod komen en waarin de engagementen van de betrokken partners
geëxpliciteerd worden.
De cel ‘overlast en
leefbaarheid’
Deze plannen en
methodieken worden vervolgens in de cel ‘overlast en leefbaarheid’ geconcretiseerd tot op het
niveau van de specifieke buurt of plaats waarin wordt opgetreden. In die zin
stelt ze in samenspraak met de betrokken partners tactische en operationele
plannen op waarbij voor de nodige uitvoeringscapaciteit op het terrein wordt
gezorgd. Op dit niveau worden daartoe
ook de nodige
verantwoordelijkheden van de betrokken partners vastgelegd. Tenslotte wordt de
concrete plaatsgerichte aanpak geëvalueerd.
Op het terrein worden de
acties ten behoeve van de aanpak van
overlast- en leefbaarheidsproblemen
gerealiseerd en opgevolgd door de pleinconsulenten en dit in nauwe samenwerking
en synergie met de stedelijke en niet stedelijke partners, alsook met input
vanuit bewoners en bewonersgroepen. Specifiek voor de aanpak van de fysieke
overlast (verloedering straatbeeld, sluikstorten e.a.) worden de
pleinconsulenten ondersteund door een GTI-team, alsook door andere relevante
stedelijke en niet-stedelijke partners.
De cel ‘gewapend
bestuur’
De cel ‘gewapend bestuur’
ontwikkelt en coördineert het bestuurlijk arsenaal aan maatregelen voor de
aanpak van specifieke veiligheids- en leefbaarheidsproblemen en dit via een
aangepaste reglementering en een vergunningsbeleid dat administratieve sancties
en eventueel sluitingen mogelijk maakt. De cel inventariseert en analyseert
plaatselijke problemen ter zake, bereidt
vervolgens integrale aanpak
voor.
Daarnaast staat de cel
‘gewapend bestuur’ in voor de administratieve afhandeling van de
specifieke bevoegdheden van de burgemeester zoals momenteel uitgevoerd door
VE/IV.
Het betreft hier ondermee
attesten en adviezen kansspelinrichtingen klasse II.
De mogelijkheden tot
afstemming tussen de cel gewapend bestuur en het bureau voor integriteit zullen
worden onderzocht.
De cel
‘rampenbeleid en technische openbare veiligheid’
De
ambtenaar-coördinator van deze cel staat, in nauwe samenwerking met de brandweer
en andere
betrokken actoren, in
voor het uitwerken, opvolgen en begeleiden van een pro-actief en preventief
rampenbeleid, incl.
rampendossiers en rampenplanning.
De veiligheidsingenieur
staat in voor de controle en/of advies in het kader van de openbare veiligheid
in uitvoering van de specifieke bevoegdheden van de burgemeester en de algemeen
technische behandeling van grote veiligheidsdossiers.
Wat betreft het thema drugoverlast wordt hier ongenoegen geuit over het recente
onderzoek ‘drugs en overlast’. De bewoners kunnen niet geloven dat
drugoverlast zo’n kleine rol in hun buurt speelt en zijn niet akkooord
met de stelling dat de burgers niet tevreden zijn over de aanpak van de
politie. Ze spreken dan ook hun steun uit aan Serge Muyters en de gevoerde
acties door de politie.
(Kort daarvoor verscheen in opdracht van de Programmatorische Overheidsdienst Wetenschapsbeleid “drugs en
overlast”. Onderzoekers kwamen tot de bevinding dat de
associatie tussen drugs en overlast zwak te noemen is. Uit 250 telefonische
enquêtes die afgenomen zijn van bewoners ut de buurt van het De
Coninckplein blijkt dat het overlastfenomeen dominant wordt toegeschreven aan
andere maatschappelijke groepen dn de druggebruikers. Gemiddeld wordt minder dan 1% van de
gesignaleerde overlast als druggerelateerde overlast beschouwd. Qua ervaren
overlast in het algemeen springt het De Coninckplein sterk uit boven de andere
onderzoeksgebieden. De meest voorkomende overlastfenomenen op het De
Coninckplein zijn rommel op straat of sluikstorten, geluid van verkeer en
uitwerpselen van dieren.
In het kader van de ABC mars werden
actievoerders uitgenodigd op het stadhuis . Vraag aan de burgemeester waarom de
discrepantie tussen colleges van 5 maart en van 2 april. Daaruit blijkt dat
deze het sociaal geld van het Grootstedenbeleid zal gebruiken voor sociale
uitdrijving en repressie. En waarom zijn exclusieve contacten ivm beleidvorming
bij de bewoners met representatieve bewonersgroepen zijn zoals de Bilzen. De
burgemeester zei dat er een vertrouwensbreuk met de burger is. Hij wou wel eens
over het Grootstedenbeleid praten en hij had grote hoop in het komende Overleg
Atheneumbuurt. Achteraf stuurde de burgemeester ons nog een mail waarin hij zei
dat hij tevreden was met zijn contacten met de bewoners.
over Overleg Atheneumbuurtdoor
coördinator van de planningcel Centrum-As Dries Willems( centrum-as) is
een onderonsje tussen veiligheid en de gepriviligieerde bewonersgroepen.
Tijdens
de eerste vergadering van de ‘Stuurgroep Deconcentratie Drugs’ een
overleg in het kader van het Actieplan Atheneumbuurt die plaats had bij de Free
Clinic in juni 2004 meldde een buurtbewoonster aan de politie dat zijzelf
duidelijk dagelijks kon zien hoe er ondanks de aanwezigheid van het mobiele
politiekantoor, tijdens de 2e
100 dagen gewoon verder gedeald werd op het plein. Terwijl in de stads- en
andere media werd aangekondigd dat het tegen de drugdealers was. Ze vroeg aan
de aanwezige vertegenwoordigers van de politie of ze voor die gang van zaken
een uitleg hadden. Een van de twee aanwezige politiebeambten heeft toen
geantwoord dat er veel klachten waren binnengekomen van mensen die
gecontroleerd werden op drugs terwijl ze er niks mee drugs te maken hadden.
Daarom werd toen het ordewoord gegeven om totaal niet meer achter de dealers
aan te gaan. Eén van de deelnemers aan de vergadering die vond dat die
uitleg voor de discrepantie tussen beleid en de uitvoering ervan ontoereikend
was is daar toen verder op ingegaan en heeft toen tot driemaal toe om nadere
uitleg gevraagd aan de politie. De twee aanwezige politie beambten weigerden
toen tot driemaal toe om te antwoorden.
(De
eerste paar weken van de eerste 100dagen lag het plein er inderdaad totaal
verlaten bij. Maar toen de straatdealers én de klanten beseften dat de
politie effectief niet of nauwelijks optrad tegen de straatdealers ging de
handel weer zijn normale gangetje. Zulks verbaasde toen iedereen die op het
plein komt ten zeerste.)
En de criminaliteitscijfers zitten in dalende lijn.
We klokken vandaag met het aantal geregistreerde misdrijven af onder het niveau
van 2000.
Toch is de ontevredenheid en het onbehagen bij de
inwoners groot. Terwijl de feitelijke onveiligheid daalt, blijft
de ervaren onveiligheid bij de Antwerpenaren groot. Bijna twintig procent van
de bevolking ervaart altijd of vaak onveiligheidsgevoelens.
Eén op drie mijdt altijd of vaak bepaalde plekken in de stad. En ook overlastgebonden
buurtproblemen zijn een zorg. Antwerpenaren ergeren zich aan rommel in
hun buurt en aan agressief verkeersgedrag.
De opdracht van het
stadsbestuur is duidelijk. De criminaliteit moet verder naar omlaag. Maar
vooral de ervaren onveiligheid
en de overlast dienen te
worden aangepakt.
In
de periode 2005-2008 ligt de prioriteit op het bestrijden van overlast,
De federale
veiligheidsmonitor meet tweejaarlijks met een telefonische
enquête de onveiligheidsgevoelens bij de bevolking. Antwerpenaren voelen zich een pak
onveiliger dan de gemiddelde Belg maar wel veiliger in vergelijking met andere
Belgische grootstadsbewoners onder
de taalgrens.
Criminaliteitscijfers zijn hier van weinig tel. Onveiligheidsgevoelens zijn de
doorsnede van een verzameling van angstgevoelens, onzekerheid en onbehagen. Zo
bepaalt de weerbaarheid van mensen vaak in hoge mate of ze zich onveilig voelen
op een plein of in een buurt. De tolerantiegraad ten aanzien van fenomenen
zoals vuile straten, nachtlawaai, sluikstort, rondhanggedrag van jongeren, de geconcentreerde aanwezigheid
van ‘buitenstaanders’ (vreemdelingen) of sociaal kwetsbaren
(bedelaars, daklozen) is voor iedereen anders. Ervaren overlast heeft dus evenzeer een invloed op het onveiligheidsgevoel.
Mensen ervaren
overlast wanneer ze -meer dan hun lief is- geconfronteerd worden met voor hen ontoelaatbaar
gedrag dat plaatsgrijpt in hun directe leefomgeving. Lang niet alle overlastgedrag
kan beteugeld worden via strafrechterlijke weg. Maar vele zogenaamde
kleine overlastfeiten hebben een groot storend karakter. Alleen een
gezamenlijke politionele, justitiële en bestuurlijke aanpak zal baat
brengen.
In beginsel ervaren
burgers veel overlastgedrag als onbeleefd en antisociaal. Maar
dat gedrag valt doorgaans niet gemakkelijk te bestraffen. Als gevolg daarvan
voelen mensen die ermee te maken hebben zich in de steek gelaten en niet
gerespecteerd als burger. En dat zorgt dan begrijpelijk voor
onveiligheidsgevoelens en vertrouwensverlies in de overheid. Op
die manier leiden balorig gedrag en baldadigheid tot afkeer en
onbegrip tussen bevolkingsgroepen of regelrechte burenhaat. Daarom verdient overlast een prominente
plaats in het veiligheidsbeeld en –beleid van de stad.
Overlast valt niet
simpel te vatten in cijfers. De Veiligheidsmonitor meet in hoeverre mensen last
hebben van overlastgebonden buurtproblemen. De top drie van de
buurtproblemen van de Antwerpenaar bestaat uit: rommel op straat,
agressief verkeersgedrag en storend rondhanggedrag van jongeren.
In onderstaande grafieken blijkt dat de Antwerpenaar zich meer dan de
gemiddelde Vlaming stoort aan die problemen.
Overlast bestaat, gezien haar subjectief karakter,
in vele vormen en gedaanten. In de acties die volgen uit dit plan onderscheiden
we 12 overlasttypes, opgedeeld in fysieke (5) en sociale overlast (7).
|
Fysieke overlast |
Sociale overlast |
|
1. Vuil op straat |
1. Intimidaties |
|
2. Beschadigd straatmeubilair en defecte
voorzieningen |
2. Bedreigingen & conflicten |
|
3. Commerciële verloedering |
3. Storend rondhanggedrag |
|
4. Verwaarlozing, leegstand en
verkrotting |
4. Overlastgevende drankgelegenheden |
|
5. Lawaai en stank |
5. Drugsgebonden overlast |
|
|
6. Huisjesmelkerij |
|
|
7. Verkeersoverlast |
Overlast is ongelijk gespreid
over de stad. Buurten in de aandachtswijken hebben meer last van een concentratie aan overlasttypes. In bijlage steken
twee overzichtskaarten met de fysieke (bijlage III) en sociale (bijlage IV) overlast in de verschillende
buurten in Antwerpen. Deze kaarten bundelen een aantal overlasttypes zoals storend rondhanggedrag, sluikstort,
drugsoverlast en verwaarlozing, leegstand en verkrotting. Het is duidelijk dat
de overlast zich in Antwerpen concentreert in het noordoosten (Antwerpen Noord,
oud-Borgerhout, Merksem Dokske) en in het zuiden (Kiel en een paar wijken in
Hoboken).
Inhoudelijk kiezen we voor een dubbelspoor: een
gebiedsgerichte aanpak van hotspots en een doelgroepgerichte aanpak van
hotshots, een bonte verzameling welomschreven daders en risicogroepen.
Omdat fenomenen en feiten altijd door mensen worden
gepleegd, pakken we met doelgroepregie daders en risicogroepen
aan in plaats van delicten. Na een afgemeten definiëring van iedere
doelgroep, werken we met alle betrokken partners aan persoonsdossiers om via
doorgedreven casemanagement tot een sluitende aanpak op maat te komen.
Het merendeel van de mensen is redelijk succesvol,
leeft in relatieve welvaart, voelt zich relatief veilig en heeft weinig
problemen met allochtonen of rondhangende jongeren.
In buurtactieteams en
toezichsnetwerken werken betrokken diensten en organisaties onder leiding van
een buurtregisseur samen aan een draaiboek met acties en maatregelen voor
minder overlast en een leefbare hotspotbuurt.
Afhankelijk van het criminografisch profiel en het overlastprofiel van de buurt differentiëren we de
aanpak. In de ene buurt zullen we meer aandacht besteden aan het wegwerken van
commerciële verloedering. In een andere buurt kunnen de problemen zich
concentreren rond storend
rondhanggedrag van jongeren. In sommige buurten zullen specifieke acties
(sluiten van een vzw, parkeeroverlast aanpakken, camerabewaking op een
sluikstortspot) soelaas moeten brengen.
Veelplegers
zijn personen tegen wie in totaal meer dan tien keer proces-verbaal is
opgemaakt. Zij volharden in crimineel gedrag. Ze zijn de zogenaamde
draaideurklanten van politie, justitie en hulpverleners, het vast
cliënteel, overwegend mannen die actief zijn in de grote steden.
Er is onmiskenbaar een verband tussen
problematisch druggebruik, criminele veelplegerij en criminele overlast.
Naar schatting 80 procent van de veelplegers is verslaafd aan harddrugs,
alcohol of gokken. Minstens de helft van de gevangenisbevolking bestaat uit
druggebruikers. Bij de top 10 van
Antwerpse veelplegers is de helft druggebruiker. Zij plegen hoofdzakelijk
inbraken en diefstallen om in hun verslavingsbehoefte te voorzien:
woninginbraak, auto-inbraken,
handtassenroof, winkeldiefstal of diefstal met geweld. Zij stellen ook overlastgevend gedrag in
de vorm van psychische verwardheid, zwerven en ongezond voorkomen. Systematische
dataverzameling over het aantal druggebruikers onder de gevatte daders
ontbreekt vooralsnog. We weten wel
dat de drugoverlast geconcentreerd neerslaat in een aantal wijken.
Deze aanpak stelt enorme uitdagingen voor de
samenwerking tussen verschillende diensten. Maar het is de enige manier om
schotten te slechten. De omslag van een doelgroep aanpak van elke instantie
afzonderlijk (als dader, MOF-jongere, POS-er, spijbelaar, druggebruiker, leefloner, …) naar een case-managment
op persoonsniveau vergt de nodige voorzichtigheid met betrekking tot de
deontologische code van de betrokken instanties en de privacy wetgeving
terzake. Kritieken zoals ‘de doos van pandora’ & ‘big-brother-syndromen’
zijn immers snel geformuleerd.
Tijdens de laatste
vergadering van de ‘Stuurgroep Deconcentratie Drugs’ in december 2004
stelde de vertegenwoordiger van de gebruikers opnieuw diezelfde vraag aan
aanwezige vertegenwoordigers van de politie. Toen antwoordde de politie dat het
toch maar dweilen met de kraan open is dat, ze te weinig effectieven hebben,
dat de kleine dealertjes die ze kunnen aanhouden dezelfde dag of een paar weken
of maanden later vrij zijn en dat het zich toch maar zou verplaatsen als ze
iets deden. Volgens hen was de 2de 100 dagen nooit tegen de dealers
was maar wel tegen de cafés.
Gemeenteraad
17 mei
Op 9
mei keurde het college de nieuwe politiecodex goed. De gemeenteraad keurde het
reglement op 17 mei goed. Dat reglement bundelt bestaande politieregels en
huishoudelijke reglementen. Het bevat ook nieuwe artikels, die het de stad
mogelijk moeten maken om snel en efficiënt op te treden tegen overlast
zoals sluikstort, nachtlawaai en vandalisme. Precies ter bestrijding van de
overlast komen er ook administratieve boetes, die de stad zelf kan innen.
Voor Antwerpen is de strijd
tegen overlast
prioritair
De stad wil haar burgers aanzetten tot meer sociaal gedrag. Prioritair zijn:
Met de nieuwe politiecode kan
de stad overtreders zelf straffen
Op 17 juni 2004 werd de gemeentewet gewijzigd, waardoor het toepassingsgebied
van de administratieve sancties gevoelig werd uitgebreid. Hierdoor worden het
parket en de rechtbanken ontlast en kunnen de gemeenten autonoom maatregelen
tegen overlast nemen.
Met de stadsboetes is er
een nieuw instrument om het samenleven in de stad te verbeteren
Politiemensen,
ambtenaren van vervoersmaatschappijen en gemeentelijke ambtenaren zullen
overtredingen kunnen vaststellen. Momenteel beschikt de stad Antwerpen over 245
beëdigde ambtenaren van wie de buurttoezichters, parkwachters en
medewerkers van stads- en buurtonderhoud uiteraard in aanmerking komen om
overlast in het openbaar domein vast te stellen. Kandidaat-ambtenaren krijgen
een vorming van minimaal 40 uren die onder leiding van de politieschool
plaatsvindt en vanaf 23 mei 2005 van start gaat. Tegen de zomer zullen maximaal
100 opgeleide en beëdigde ambtenaren overtredingen op de politiecode
kunnen vaststellen en burgers aanzetten tot meer sociaal gedrag.
Overlastgedrag wordt niet alleen vastgesteld, maar ook
gesanctioneerd
Jan Huyghe en Cathy Vermeulen van de juridische dienst van de stad Antwerpen,
werden aangesteld als sanctioneringsambtenaar. Overtredingen kunnen bestraft
worden met boetes tot 250 euro. Antwerpen voert ook het straatverbod in. De burgemeester kan, bij gemotiveerd
besluit, aan personen die herhaaldelijk de openbare orde ernstig verstoren of
zware overlast veroorzaken in eenzelfde omgeving, verbieden één
of meerdere straten te betreden of er te vertoeven gedurende een door hem te
bepalen termijn die 8 dagen niet mag overschrijden. Het straatverbod is een
dwingende maatregel om zware overlast
in te perken, maar is geen sanctie. Het zich niet houden aan het straatverbod
kan wel met een geldboete gesanctioneerd worden.
Bijkomende sancties om overlast te bestrijden zijn schorsing en intrekking van
gemeentelijke toelatingen en tijdelijke of definitieve sluiting van
instellingen. Die maatregelen worden via een besluit van de burgemeester
getroffen. Ook huishoudelijke reglementen van bijvoorbeeld zwembaden, sporthallen,
recyclagecentra zijn aangepast en in de politiecode opgenomen. Ook hier kan
overlastgedrag beboet worden.
(2),(3) : Politiecodex p.60
Afdeling 3 –
Straat- en plaatsverbod
Artikel 291 §1.- Onverminderd zijn
prerogatieven kan de burgemeester bij gemotiveerd besluit aan die personen, die
herhaaldelijk de openbare orde ernstig verstoren of zware overlast veroorzaken in dezelfde omgeving,
verbieden één of verscheidene straten te betreden of er te
vertoeven gedurende een door hem te bepalen termijn die 8 dagen niet mag
overschrijden.
§2.- Dit verbod kan slechts opgelegd
worden na herhaaldelijke vaststellingen en een mondelinge en een schriftelijke
verwittiging dat inbreuken zoals in paragraaf 1 vermeld, begaan werden en een
straatverbod overwogen wordt. Het straatverbod kan slechts opgelegd worden
hetzij bij aangetekend schrijven, hetzij door overhandiging tegen
ontvangstbewijs, hetzij bij deurwaardersexploot. De betrokkene wordt de
mogelijkheid geboden om vooraf gehoord te worden in zijn middelen van
verdediging.
§3.- In geval van herhaling, zoals
omschreven in artikel 332 §1 van dit reglement, bedraagt de maximumtermijn
14 dagen.
§4.- In geval van nieuwe herhaling, zoals
omschreven in artikel 332 §2, bedraagt de maximumtermijn 1 maand.
§5.- Indien de persoon, aan wie de
burgemeester dergelijk verbod heeft opgelegd, in de aangewezen straat een
aantoonbaar belang heeft om ze te betreden of er te vertoeven, dan kan deze de
burgemeester bij gemotiveerde vraag verzoeken het verbod in tijd en plaats te
beperken.
Wie
een aantoonbaar belang heeft om de aangewezen straat te betreden of er te
vertoeven, kan bij gemotiveerd verzoek
de burgemeester vragen om het verbod in tijd en plaats te beperken.
à Via de bedrijfseenheid Integrale veiligheid (1)
§6.- De burgemeester kan dergelijk
verbod niet opleggen aan personen, die, blijkens het bevolkings- of
vreemdelingenregister, in de aangewezen straat zijn ingeschreven.
§7.- Personen die zich niet houden aan het door de
burgemeester opgelegde straatverbod worden gestraft met een administratieve
geldboete zoals in artikel 331 e.v. van dit reglement voorzien.
Artikel 292 §1.- Onverminderd de bepalingen in de huishoudelijke
reglementen en onverminderd zijn prerogatieven, kan de burgemeester het verbod
opleggen aan die personen die er herhaaldelijk de openbare orde ernstig
verstoren of zware overlast veroorzaken om bepaalde openbare inrichtingen te
betreden of er te vertoeven, voor zover zij afgebakend kunnen worden, zoals
sportzalen, sportterreinen, zwembaden, ontspanningsgebieden, musea,
bibliotheken en culturele centra, enz… gedurende een door hem te bepalen
termijn, die 8 dagen niet mag overschrijden.
§2.- De bepalingen van artikel 291 § 2, § 3, §
4, § 5 en § 7 zijn van overeenkomstige toepassing op de in paragraaf
1 van dit artikel vermelde plaatsen.
Vraag om uitleg van mevrouw
FauzayaTalhaoui aan de vice-eerste minister en
minister van Binnenlandse
Zaken over «het straatverbod in Antwerpen» (nr. 3-848)
De heer Christian Dupont, minister van
Ambtenarenzaken,Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en
GelijkeKansen. – Met een recent door de Antwerpse gemeenteraad
goedgekeurd politiereglement wordt in Antwerpen een straatverbod mogelijk met
de bedoeling om in bepaalde straten komaf te maken met de blijvende overlast veroorzaakt door straatprostituees. De minister
van Binnenlandse Zaken vermoedt dat Antwerpen zich vooral heeft
geïnspireerd opeen Rotterdams model waar zulk straatverbod effectief
bestaat. Het betreft hier natuurlijk een fundamentele discussie: hoever mag de
overheid gaan in een democratische rechtsstaat om de veiligheid van haar
onderdanen maximaal te garanderen.Het is in de eerste plaats de taak van de
gemeente om de nodige maatregelen te treffen ten einde de openbare orde en rust
op haar grondgebied te handhaven. Het is dus niet de taak van de federale overheid
om in de plaats van de lokale overheden reglementerend op te treden voor
plaatselijke problemen van ordehandhaving. Dat zou een miskenning zijn van de
bevoegdheden van de lokale besturen. Bovendien berust het administratief
toezicht op de gemeenten bij de gewestelijke overheid en dus niet langer bij de
federale overheid. De maatregelen genomen op lokaal niveau moeten echter
beantwoorden aan de beginselen en regels van onze democratische rechtsstaat. Naast respect voor het Europese
mensenrechtenverdrag en onze Grondwet, moet een maatregel als een straatverbod,
die toch een verregaande beperking inhoudt van de fundamentele rechten en
vrijheden, beantwoorden aan principes van proportionaliteit, subsidiariteit en
noodzakelijkheid. Met dergelijke maatregelen moet dus zeer omzichtig worden
omgesprongen. Alleen als de overheid alle andere mogelijkheden heeft uitgeput,
zoals een versterkt politietoezicht, preventieve maatregelen en dergelijke meer
en als die maatregelen niet tot het gewenste effect leiden, zijnde het herstel
van de openbare orde en veiligheid, kan een maatregel als het straatverbod
worden overwogen. Een van de principes van onze rechtsstaat is ook dat
regels op hun wettelijkheid kunnen worden getoetst door de rechterlijke macht.
Als lid van de uitvoerende macht kan de minister van Binnenlandse Zaken dus
niet beoordelen of het straatverbodstrijdig is met hogere regels in ons land.
Bij zijn weten heeft de rechterlijke macht – in het geval van een
straatverbod uitgevaardigd bij politiereglement, de Raad van State – zich
hierover echter nog niet uitgesproken. Wel wordt in een arrest van het Europees
hof voor de rechten van de mens een soortgelijke maatregel, namelijk de
avondklok, niet beschouwd als een inbreuk op artikel 5 EVRM, namelijk het
verbod van willekeurige vrijheidsberoving De bevoegdheid in die materie berust
dus bij de lokale overheid. Naar
verluidt zouden de problemen hoofdzakelijk te wijten zijn aan het feit dat alle
maatregelen, zij het preventief of repressief, politieel of sanitair, die ten
aanzien van de prostituees werden getroffen, mislukt zijn. De situatie
is dus beperkt tot een kleine groep, maar het is juist dat elke maatregel
genomen op een welbepaald terrein, elders een weerslag kan hebben en dat het
fenomeen zich kan verplaatsen. Er bestaat geen wettelijke definitie van het
begrip openbare overlast. Het begrip vloeit voort uit de gemeentewet en werd
gedeeltelijk omschreven in de omzendbrief OOP 30bis, die de toepassing
van de gemeentelijke administratieve sancties omkadert. Dat begrip wijst
inderdaad op feiten die ervaren worden alsof ze een gevoel van onveiligheid creëren zonder dat ze door de
wet worden bestraft.