J U S T E L     -     Geconsolideerde wetgeving

Einde

Eerste woord

Laatste woord

Wijziging(en)

 

 

Parlementaire werkzaamheden

Inhoudstafel

43 uitvoeringbesluiten

11 gearchiveerde versies

 

 

 

 

Franstalige versie

 

belgiëlex . be     -     Kruispuntbank Wetgeving

Raad van State

 

 



Titel

19 JULI 1991. - Wet betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. <NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 03-09-1991 en tekstbijwerking tot 28-12-2005>

Bron :
BINNENLANDSE ZAKEN.OPENBAAR AMBT
Publicatie : 03-09-1991
Inwerkingtreding : 13-09-1991
Dossiernummer :
1991-07-19/31

 

Inhoudstafel

Tekst

Begin

HOOFDSTUK I. - Bevolkingsregisters en identiteitskaarten.
Art. 1, 1bis, 2, 2bis, 3-6, 6bis, 6ter, 6quater, 6quinquies, 7-8
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
Art. 9
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen.
Art. 10

 

Tekst

Inhoudstafel

Begin

HOOFDSTUK I. - Bevolkingsregisters en identiteitskaarten.

  Artikel 1. <W 1994-05-24/39, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-02-1995> (§ 1.) In elke gemeente worden gehouden : <W 1997-01-24/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 16-03-1997>
  1° bevolkingsregisters waarin ingeschreven worden op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of er te verblijven, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in 2° bedoelde register;
  
2° een wachtregister waarin worden ingeschreven op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, de vreemdelingen die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden erkend en die niet in een andere hoedanigheid in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven.
  Wanneer een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard of die vraagt om als vluchteling te worden erkend uit de bevolkingsregisters geschrapt wordt doch in de gemeente verblijf blijft houden, wordt hij ingeschreven in het wachtregister.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de inschrijving in het wachtregister voorschrijven van andere vreemde onderdanen die zich in een onzekere administratieve toestand van verblijf in België bevinden, die hun inschrijving of het behoud ervan in de bevolkingsregisters niet mogelijk maakt.
  De artikelen 3, 4, 5, 7 en 8 zijn toepasselijk op het wachtregister.
  (§ 2. De personen bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, worden op hun aanvraag door de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven, ingeschreven op een referentieadres :
  - wanneer zij in een mobiele woning verblijven;
  - wanneer zij om beroepsredenen of bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben.
  (Onder referentieadres wordt verstaan het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven.
  De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de inschrijving van een andere persoon aanvaardt als referentieadres, verbindt zich ertoe daar alle voor die persoon bestemde post of alle administratieve documenten te laten toekomen. Hierbij mag de natuurlijke persoon of de rechtspersoon geen winstbejag nastreven. Enkel verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen en vennootschappen met sociaal oogmerk die minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel hebben gesteld onder meer de belangen van één of meer rondtrekkende bevolkingsgroepen te behartigen of te verdedigen, kunnen optreden als rechtspersoon bij wie een natuurlijk persoon een referentieadres kan hebben.) <W 2005-12-14/35, art. 14, 012; Inwerkingtreding : 07-01-2006>
  
In afwijking van het vorige lid worden de Belgische onderdanen die verbonden zijn aan de Krijgsmacht en de gezinsleden die hen vergezellen, in garnizoen in het buitenland, en die geen verblijfplaats meer hebben in België, ingeschreven op het door de minister van Landsverdediging vastgestelde referentieadres.
  Op dezelfde wijze worden de personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand kunnen genieten van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven.) <W 1997-01-24/36, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 16-03-1997>
  
(§ 3. Op verzoek van de Getuigenbeschermingsdienst worden personen aan wie de Getuigenbeschermingscommissie bijzondere beschermingsmaatregelen heeft toegekend, ingeschreven op een referentieadres als bedoeld in § 2, eerste en tweede lid.) <W 2002-07-07/42, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 20-08-2002>

  
Art. 1bis. <Ingevoegd bij W 1994-05-24/39, art. 2; Inwerkingtreding : 01-02-1995> De inschrijving in het wachtregister van de vreemdelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, geschiedt op initiatief van de minister tot wiens bevoegdheid de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen behoren of van zijn gemachtigde, zodra deze vreemdelingen in België zijn aangekomen of zodra hun aanwezigheid op het grondgebied is vastgesteld.
  Ze worden er uit geschrapt :
  1° wanneer ze overleden zijn;
  2° wanneer ze het grondgebied verlaten hebben;
  3° wanneer hen de hoedanigheid van vluchteling werd toegekend waarbij ze dan ingeschreven worden in de bevolkingsregisters bedoeld in artikel 1, eerste lid, 1°;
  4° wannee zij in de bevolkingsregisters in een andere hoedanigheid dan die van erkende vluchteling ingeschreven worden;
  
5° wanneer zij niet meer verblijven op het adres waar zij ingeschreven werden en de plaats waar ze zich gevestigd hebben niet kan ontdekt worden.
  De informatiegegevens betreffende die vreemdelingen worden echter in het wachtregister bewaard met, tegenover hun naam, de reden van de schrapping.

  Art. 2. Naast de informatiegegevens waarvan de wet uitdrukkelijk bepaalt dat ze geregistreerd moeten worden, vermelden de bevolkingsregisters de informatiegegevens betreffende de identificatie en de lokalisatie van de inwoners alsook de informatiegegevens die noodzakelijk zijn voor de verbinding met andere bestanden van het gemeentebestuur of van de centrale administratie. (Onverminderd het voorgaande mag geen enkel identiteitsdocument dat afgegeven wordt op grond van een inschrijving in de bevolkingsregisters of in het wachtregister, melding maken van een echtscheiding noch van de grond ervan.) <W 2000-08-12/86, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 21-10-2000>
  (Voor de in artikel 1, eerste lid, 2°, bedoelde vreemdelingen bepaalt de Koning, naast de in het eerste lid bedoelde inlichtingen, welke gegevens betreffende hun administratieve toestand moeten worden vermeld. Hij bepaalt eveneens welke overheden gemachtigd zijn deze inlichtingen in het wachtregister via het Rijksregister van de natuurlijke personen in te voeren.) <W 1994-05-24/39, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-02-1995>
  
Binnen die grenzen bepaalt de Koning de aard van deze informatiegegevens. Hij stelt tevens de regels vast volgens welke voormelde informatiegegevens meegedeeld kunnen worden aan derden.

  Art. 2bis. <Ingevoegd bij W 1994-05-24/39, art. 4; Inwerkingtreding : 01-02-1995> De vreemdelingen die zijn ingeschreven in het in artikel 1, eerste lid, 2°, bedoelde wachtregister worden niet meegeteld, noch voor het bepalen van het jaarlijkse bevolkingscijfer van de gemeente, noch voor het vaststellen van de resultaten van de tienjaarlijkse volkstelling bedoeld in artikel 9 van de wet van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, noch voor elke andere vastlegging van het bevolkingscijfer krachtens een wet uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 63, § 3 (vroeger artikel 49, § 3) van de Grondwet.

  Art. 3. De hoofdverblijfplaats is de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft.
  De Koning stelt de aanvullende regels vast voor het bepalen van het hoofdverblijf (en het referentieadres). <W 1997-01-24/36, art. 3, 005; Inwerkingtreding : 16-03-1997>

  
Art. 4. De Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, organiseert de inspectie van de bevolkingsregisters.

  Art. 5. De verandering van hoofdverblijf van de Belg, de vestiging of de verandering van hoofdverblijf van de vreemdeling in België worden vastgesteld door een aangifte die is gedaan in de vorm en binnen de termijnen voorgeschreven door de Koning, en overeenkomstig de gemeentelijke verordeningen die ter zake zijn vastgesteld.

  Art. 6. <W 2003-03-25/30, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 07-04-2003> § 1. De gemeente geeft aan de Belgen en aan de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen een identiteitskaart die geldt als bewijs van inschrijving in de bevolkingsregisters.
  (De gemeente kan De Post NV van publiek recht machtigen tot het afgeven van identiteitskaarten volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning. Voor de uitvoering van deze taak heeft De Post NV van publiek recht :
  1° toegang tot enkel die gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, die overeenkomstig § 2, tweede en derde lid, op de identiteitskaart dienen te staan;
  2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken;
  3° toegang tot het Register van de Identiteitskaarten, bedoeld in artikel 6bis.
  De gegevens verkregen door De Post NV van publiek recht in toepassing van het eerste lid mogen enkel worden gebruikt voor de afgifte van identiteitskaarten als bedoeld in dit artikel.
  Voor de uitvoering van de in het tweede lid vermelde taak ontvangt De Post NV van publiek recht een vergoeding ten laste van de federale overheid. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de uitvoering en de vergoeding van deze taak, waarbij wordt voorzien in een overeenkomst af te sluiten tussen de Belgische Staat en De Post NV van publiek recht.) <W 2003-08-05/31, art. 37, 010; Inwerkingtreding : 17-08-2003>
  
Op de voorzijde van de identiteitskaart die bedoeld wordt in het eerste lid, wordt in het bovenste gedeelte daarvan, enerzijds het woord " België " en anderzijds de woorden " identiteitskaart ", " verblijfskaart voor vreemdeling ", of " identiteitskaart voor vreemdeling " aangebracht, naar gelang van het geval de houder van de kaart respectievelijk de hoedanigheid heeft van Belg, onderdaan is van een Staat die lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte of geen onderdaan is van een lidstaat van deze Unie of deze Ruimte.
  De in het voorgaande lid bedoelde woorden worden op de identiteitskaart eerst gedrukt in de taal van de gemeente die het document afgeeft of in de taal die de houder kiest uit de talen waarvan het gebruik wordt toegestaan in de gemeenten die genoemd worden in de artikelen 6 tot 8 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en vervolgens in de twee andere landstalen en in het Engels.
  De titels van de rubrieken waaronder op de identiteitskaart de persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder, komen in de eerste plaats voor in de taal van de gemeente die het document afgeeft, of in de taal die de houder kiest, volgens het onderscheid dat wordt gemaakt in het voorgaande lid, en vervolgens in het Engels.
  § 2. (De identiteitskaart bevat, naast de handtekening van de houder, hetzij de handtekening van de gemeenteambtenaar die de kaart aflevert, hetzij, wanneer de kaart wordt afgeleverd door De Post NV van publiek recht, deze van de persoon van deze onderneming daartoe gemachtigd overeenkomstig de nadere regels vastgesteld bij het koninklijk besluit, bedoeld in § 1, tweede lid. Zij bevat bovendien persoonsgegevens die zowel met het blote oog zichtbaar zijn als op elektronische wijze leesbaar zijn.) <W 2003-08-05/31, art. 37, 010; Inwerkingtreding : 17-08-2003>
  De zowel met het blote oog zichtbare als elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard betreffen :
  1° de naam;
  2° de twee eerste voornamen;
  3° de eerste letter van de derde voornaam;
  4° de nationaliteit;
  5° de geboorteplaats- en datum;
  6° het geslacht;
  7° de plaats van afgifte van de kaart;
  8° de begin- en einddatum van geldigheid van de kaart;
  9° de benaming en het nummer van de kaart;
  10° de foto van de houder;
  11° (...); <W 2004-07-09/30, art. 95, 011; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  
12° het identificatienummer van het Rijksregister.
  De elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard betreffen :
  1° de identiteits- en handtekeningsleutels;
  2° de identiteits- en handtekeningcertificaten;
  3° de geaccrediteerde certificatiedienstverlener;
  4° de informatie nodig voor de authentificatie van de kaart en voor de beveiliging van de elektronisch leesbare gegevens voorkomend op de kaart en voor het gebruik van de bijhorende gekwalificeerde certificaten;
  5° de andere vermeldingen, opgelegd door de wetten;
  
6° de hoofdverblijfplaats van de houder.
  De houder van de kaart kan desgewenst afzien van de activering van de onder 1° tot 3° van het vorige lid vermelde gegevens.
  § 3. De houder van de kaart kan, via deze kaart of bij de gemeente waar hij in de bevolkingsregisters ingeschreven is, steeds inzage vragen van de gegevens die op elektronische wijze opgeslagen zijn op de kaart of via de kaart toegankelijk zijn en heeft het recht op verbetering van zijn persoonsgegevens die niet op nauwkeurige, volledige en juiste wijze zouden opgenomen zijn op de kaart.
  De houder van de kaart heeft, via deze kaart of bij de gemeente waar hij in de bevolkingsregisters ingeschreven is, recht op :
  1° inzage van de hem betreffende informatiegegevens die zijn opgenomen in het bevolkingsregister of in het Rijksregister van de natuurlijke personen;
  2° verbetering van deze gegevens welke niet op nauwkeurige, volledige en juiste wijze zijn opgenomen;
  3° kennisname van alle overheden, instellingen en personen die, gedurende de laatste zes maanden, zijn gegevens bij het bevolkingsregister of het Rijksregister van de natuurlijke personen hebben geraadpleegd of bijgewerkt, met uitzondering van de bestuurlijke en gerechtelijke overheden die belast zijn met de opsporing en bestraffing van misdrijven (alsmede van de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.) <W 2004-07-09/30, art. 95, 011; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
  De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van het in het vorige lid, 3°, vermelde recht op kennisname, alsmede de wijze waarop het in de vorige leden bedoelde inzage- en verbeteringsrecht, evenals de kennisname, worden geregeld.
  (NOTE : Inwerkingtreding van artikel 6, § 3, lid 2, 3°, vastgesteld op 28-02-2005 bij KB 2005-02-13/34, art. 1)
  
§ 4. Elke geautomatiseerde controle van de identiteitskaart door optische of andere leesprocédés moet het voorwerp uitmaken van een koninklijk besluit, na advies van het sectoraal comité van het Rijksregister bedoeld in artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
  § 5. De federale overheid stelt de technische apparatuur nodig voor de elektronische identiteitskaart ter beschikking van de gemeente, die er eigenaar van wordt. De gemeente staat in voor de opslag en het onderhoud van de apparatuur.
  De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het opnemen van het identiteits- en handtekeningscertificaat op de kaart. De kosten voor het initiële identiteits- en handtekeningscertificaat kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen door de federale overheid.
  De geaccrediteerde certificatiedienstverlener heeft, uitsluitend voor de taken die hij verricht binnen het kader van deze wet, toegang tot de informatiegegevens vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° en 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. Hij heeft binnen dit kader eveneens het recht het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.
  § 6. De identiteitskaart blijft maximum vijf jaar geldig vanaf de datum van afgifte.
  § 7. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, de vorm en de modaliteiten van aanmaak, afgifte en gebruik van de identiteitskaart.
  Hij stelt de leeftijd vast vanaf welke men verplicht is de identiteitskaart te bezitten en bij zich te hebben, alsook het maximumbedrag dat ten laste van de houder mag worden geïnd bij de afgifte van de kaart. Hij bepaalt ook welke de openbare overheden en ambtenaren zijn op wier vordering de identiteitskaart moet worden getoond.
  Het gekwalificeerd handtekeningscertificaat wordt op de identiteitskaart niet geactiveerd voor de personen die overeenkomstig de vigerende wetgeving niet handelingsbekwaam zijn.
  § 8. De kosten voor de aanmaak van identiteitskaarten worden door de Minister van Binnenlandse Zaken ingevorderd bij wege van ambtshalve voorafnemingen op de rekening die op naam van de gemeenten geopend is bij een kredietinstelling die, naar gelang van het geval, voldoet aan de artikelen 7, 65 of 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en toezicht op de kredietinstellingen.
  § 9. De Koning kan, na advies van het sectoraal comité van het Rijksregister bedoeld in artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, de toepassing van de bepalingen van de §§ 1 tot 8 uitbreiden tot de verblijfsvergunningen afgegeven aan de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven.

  Art. 6bis. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30, art. 15; Inwerkingtreding : 07-04-2003> § 1. Bij het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld bij de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, wordt een centraal bestand van de identiteitskaarten, gehouden. Dit bestand draagt de naam " Register van de Identiteitskaarten " en bevat de volgende gegevens :
  1° voor iedere houder : het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen, de gevraagde taal voor de uitgifte van de identiteitskaart en het volgnummer van de kaart;
  2° voor elke uitgegeven identiteitskaart :
  a) de datum van aanvraag met aansluitend de datum van uitgifte van het basisdocument, de datum van uitgifte, de vervaldatum en in voorkomend geval de datum van vernietiging;
  b) de datum van uitreiking en de gemeente die ze uitgereikt heeft;
  c) het volgnummer van de kaart;
  
d) het sequentienummer (eerste, tweede, derde kaart, enz.);
  e) de informatie waaruit blijkt dat de kaart geldig, vervallen of vernietigd is en, in dat geval, de reden;
  f) het type van identiteitskaart;
  g) de aanwijzing van het bestaan of de afwezigheid van de functie " elektronische handtekening ";
  h) de datum van de laatste bijwerking;
  
i) de datum van de laatste bijwerking betreffende de hoofdverblijfplaats.
  § 2. De gemeenten, door bemiddeling van het Rijksregister, enerzijds, en de met de aanmaak van de identiteitskaarten belaste onderneming, en de geaccrediteerde certificatiedienstverlener anderzijds, zenden aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken - Algemene Directie van de Instellingen en van de Bevolking - de informaties die nodig zijn om het onder § 1 bedoeld bestand bij te werken.
  § 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld bij de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, wie toegang heeft tot dit bestand.

  Art. 6ter. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30, art. 16; Inwerkingtreding : 07-04-2003> In geval van verlies, diefstal of vernieling van de elektronische identiteitskaart doet de houder tijdens de kantooruren aangifte bij het gemeentebestuur. Het gemeentebestuur levert een attest af van verlies, diefstal of vernieling van de identiteitskaart. In geval van diefstal kan de houder bovendien klacht indienen bij de politie. De gemeente geeft de certificatiedienstverlener via het Rijksregister de opdracht de elektronische functie van de identiteitskaart te schorsen of in te trekken.
  In geval van verlies, diefstal of vernieling van de elektronische identiteitskaart buiten de kantooruren doet de houder aangifte bij de helpdesk van het Rijksregister van de natuurlijke personen. De houder kan na deze aangifte bij het gemeentebestuur een attest bekomen van verlies, diefstal of vernieling van de identiteitskaart. Hij kan in geval van diefstal bovendien klacht indienen bij de politie. De helpdesk schorst de elektronische functie van de identiteitskaart of trekt ze in. De helpdesk is permanent operationeel.
  De schorsing houdt in dat de elektronische functie van de identiteitskaart tijdelijk buiten werking wordt gesteld. De intrekking houdt in dat de elektronische functie van de identiteitskaart definitief buiten werking wordt gesteld.
  De Koning bepaalt de nadere regeling inzake de werking van de helpdesk en van de schorsing of intrekking van de verloren, gestolen of vernietigde identiteitskaart.

  Art. 6quater. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30, art. 17; Inwerkingtreding : 07-04-2003> Alle personen die bij het uitoefenen van hun functies in de inzameling, de verwerking of de mededeling van de informatiegegevens tussenkomen, zijn gehouden tot het beroepsgeheim. Bovendien moeten zij alles in het werk stellen om de gegevens bij te houden, de onjuiste gegevens te verbeteren en de gegevens die vervallen zijn of door onwettige of frauduleuze middelen bekomen werden, te schrappen.
  Zij moeten alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen ten einde de veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en te beletten in het bijzonder dat zij vervormd of beschadigd worden of medegedeeld worden aan personen die geen machtiging hebben gekregen om inzage ervan te nemen.
  Zij moeten zich vergewissen van het geëigende karakter van de programma's die voor de automatische verwerking van de gegevens dienen, alsook van de rechtmatigheid van de toepassing ervan.
  Zij moeten waken op de rechtmatigheid van de mededeling der gegevens.

  Art. 6quinquies. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30, art. 18; Inwerkingtreding : 07-04-2003> De Koning kan de normen en functionele en technische specificaties vastleggen waaraan de apparatuur en de toepassingen dienen te voldoen die het uitlezen en het bijwerken van de elektronisch op de identiteitskaart opgeslagen gegevens mogelijk maakt. Hij kan tevens de publiciteit, de verkoop, de aankoop, de verhuring, het bezit en de overdracht van deze apparatuur en toepassingen reglementeren.

  Art. 7. De overtredingen van de voorgaande artikelen, van de besluiten tot uitvoering ervan en van de in artikel 5 bedoelde gemeentelijke verordeningen worden gestraft met een geldboete en zesentwintig tot vijfhonderd frank.
  De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op die overtredingen van toepassing.

  Art. 8. § 1. Bij moeilijkheden of betwistingen in verband met het hoofdverblijf, bepaalt de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, de plaats ervan, na zo nodig een onderzoek ter plaatse te hebben laten uitvoeren.
  De Minister kan de hem bij het eerste lid toevertrouwde bevoegdheden overdragen aan de ambtenaar die de leiding heeft van het bestuur dat bevoegd is voor de bevolking.
  Indien de plaats waar hij woont bekend is, worden de persoon van wie de inschrijving in de bevolkingsregisters moet worden geregulariseerd, en eventueel zijn wettelijke vertegenwoordiger en de betrokken gemeente(n), daarvan bij een ter post aangetekende brief op de hoogte gesteld, om hun de mogelijkheid te geven hun eventuele opmerkingen of verweermiddelen binnen vijftien dagen na deze kennisgeving te doen gelden. Deze personen, alsook de vertegenwoordiger van de betrokken gemeente(n) worden op hun verzoek gehoord door de Minister of, indien deze van zijn delegatierecht gebruik gemaakt heeft, door de ambtenaar die gedelegeerd is om de beslissing te nemen.
  Wanneer die termijn verstreken is, neemt de Minister of zijn gemachtigde een beslissing.
  Ingeval uit dat onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zijn laatste bekende adres heeft verlaten zonder daarvan de vereiste aangifte te doen en dat de plaats waar hij zich gevestigd heeft niet gevonden kan worden, wordt hij ambtshalve van de bevolkingsregisters afgevoerd.
  § 2. De behoorlijk met redenen omklede beslissing van de Minister of zijn gemachtigde wordt bij een ter post aangetekende brief betekend aan de betrokken gemeentebesturen. Deze doen ambtshalve de inschrijvingen en afvoeringen die hun worden opgelegd zodra de beslissing hun bekend is. Zij geven onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, aan de betrokken personen, aan de Minister of zijn gemachtigde, kennis van de uitvoering van de beslissing. De gemeente die de inschrijving verricht, laat in voorkomend geval de identiteitskaart vervangen of wijzigen van de betrokken persoon, die daartoe wordt verzocht zich bij de bevolkingsdienst van de gemeente aan te melden.
  § 3. Na twee opeenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen kan de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven op kosten van de gemeenteoverheden die verzuimd hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de maatregelen te treffen die nodig zijn voor de uitvoering van de beslissingen aangaande het bepalen van het hoofdverblijf.
  De invordering van de kosten geschiedt, zoals inzake directe belastingen, nadat de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.

  HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

  Art. 9. <Wijzigingsbepaling van artikel 5, tweede lid van de W van 1983-08-08/36>

  
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen.

  Art. 10. Opgeheven worden :
  1° artikel 1, 11°, van het decreet van 7 messidor jaar II " concernant l'organisation des archives établies auprès de la représentation nationale ";
  2° de wet van 2 juni 1856 op de bevolkingsregisters, gewijzigd bij de wet van 4 juli 1962 en bij de wet van 1 augustus 1985;
  3° artikel 7 van de wet van 14 juli 1951 houdende machtiging tot regularisaties, verhoging en vermindering van sommige voor het dienstjaar 1950 uitgetrokken kredieten, zomede toekenning van bijkredieten voor de uitgaven met betrekking tot 1949 en de vorige dienstjaren.