|
HOOFDSTUK I. -
Bevolkingsregisters en identiteitskaarten.
Artikel 1. <W 1994-05-24/39, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 01-02-1995> (§ 1.) In elke gemeente
worden gehouden : <W 1997-01-24/36, art. 2, 005;
Inwerkingtreding : 16-03-1997>
1° bevolkingsregisters waarin ingeschreven worden op de plaats
waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er
aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die
toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen of er te
verblijven, met uitzondering van de vreemdelingen die zijn ingeschreven in
het in 2° bedoelde register;
2° een wachtregister waarin worden ingeschreven op de
plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, de vreemdelingen
die zich vluchteling verklaren of die vragen om als vluchteling te worden
erkend en die niet in een andere hoedanigheid in de bevolkingsregisters zijn
ingeschreven.
Wanneer een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard of
die vraagt om als vluchteling te worden erkend uit de bevolkingsregisters
geschrapt wordt doch in de gemeente verblijf blijft houden, wordt hij
ingeschreven in het wachtregister.
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de
inschrijving in het wachtregister voorschrijven van andere vreemde onderdanen
die zich in een onzekere administratieve toestand van verblijf in België
bevinden, die hun inschrijving of het behoud ervan in de bevolkingsregisters
niet mogelijk maakt.
De artikelen 3, 4, 5, 7 en 8 zijn toepasselijk op het
wachtregister.
(§ 2. De personen bedoeld in § 1, eerste lid,
1°, worden op hun aanvraag door de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven,
ingeschreven op een referentieadres :
- wanneer zij in een mobiele woning verblijven;
- wanneer zij om beroepsredenen of bij gebrek aan voldoende
bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben.
(Onder referentieadres wordt verstaan het adres van ofwel een
natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de
plaats waar hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel een
rechtspersoon en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of
deze rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is
ingeschreven.
De natuurlijke persoon of de rechtspersoon die de inschrijving
van een andere persoon aanvaardt als referentieadres, verbindt zich ertoe
daar alle voor die persoon bestemde post of alle administratieve documenten
te laten toekomen. Hierbij mag de natuurlijke persoon of de rechtspersoon
geen winstbejag nastreven. Enkel verenigingen zonder winstoogmerk, stichtingen
en vennootschappen met sociaal oogmerk die minstens vijf jaar
rechtspersoonlijkheid genieten en die zich in hun statuten tot doel hebben
gesteld onder meer de belangen van één of meer rondtrekkende
bevolkingsgroepen te behartigen of te verdedigen, kunnen optreden als
rechtspersoon bij wie een natuurlijk persoon een
referentieadres kan hebben.) <W 2005-12-14/35, art. 14, 012;
Inwerkingtreding : 07-01-2006>
In afwijking van het vorige lid worden de Belgische
onderdanen die verbonden zijn aan de Krijgsmacht en de gezinsleden die hen
vergezellen, in garnizoen in het buitenland, en die geen verblijfplaats meer
hebben in België, ingeschreven op het door de minister van Landsverdediging
vastgestelde referentieadres.
Op dezelfde wijze worden de personen die bij gebrek aan voldoende
bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben en die bij gebrek
aan inschrijving in de bevolkingsregisters geen maatschappelijke bijstand
kunnen genieten van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn of om
het even welk ander sociaal voordeel, ingeschreven op het adres van het openbaar centrum voor maatschappelijk
welzijn van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven.) <W 1997-01-24/36,
art. 2, 005; Inwerkingtreding : 16-03-1997>
(§ 3. Op verzoek van de Getuigenbeschermingsdienst
worden personen aan wie de Getuigenbeschermingscommissie
bijzondere beschermingsmaatregelen heeft toegekend, ingeschreven op een
referentieadres als bedoeld in § 2, eerste en tweede lid.) <W
2002-07-07/42, art. 10, 008; Inwerkingtreding : 20-08-2002>
Art. 1bis. <Ingevoegd bij W 1994-05-24/39,
art. 2; Inwerkingtreding : 01-02-1995> De inschrijving in het
wachtregister van de vreemdelingen bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, geschiedt op initiatief van de minister tot wiens
bevoegdheid de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de
verwijdering van vreemdelingen behoren of van zijn gemachtigde, zodra deze
vreemdelingen in België zijn aangekomen of zodra hun aanwezigheid op het
grondgebied is vastgesteld.
Ze worden er uit geschrapt :
1° wanneer ze overleden zijn;
2° wanneer ze het grondgebied verlaten hebben;
3° wanneer hen de hoedanigheid van vluchteling werd toegekend
waarbij ze dan ingeschreven worden in de bevolkingsregisters bedoeld in
artikel 1, eerste lid, 1°;
4° wannee zij in de bevolkingsregisters
in een andere hoedanigheid dan die van erkende vluchteling ingeschreven worden;
5° wanneer zij niet meer verblijven op het adres waar zij
ingeschreven werden en de plaats waar ze zich gevestigd hebben niet kan
ontdekt worden.
De informatiegegevens betreffende die vreemdelingen worden echter
in het wachtregister bewaard met, tegenover hun naam, de reden van de
schrapping.
Art. 2. Naast de informatiegegevens waarvan de
wet uitdrukkelijk bepaalt dat ze geregistreerd moeten worden, vermelden de
bevolkingsregisters de informatiegegevens betreffende de identificatie en de
lokalisatie van de inwoners alsook de informatiegegevens die noodzakelijk
zijn voor de verbinding met andere bestanden van het gemeentebestuur of van
de centrale administratie. (Onverminderd het voorgaande mag geen enkel
identiteitsdocument dat afgegeven wordt op grond van een inschrijving in de
bevolkingsregisters of in het wachtregister, melding maken van een
echtscheiding noch van de grond ervan.) <W 2000-08-12/86, art. 2, 007;
Inwerkingtreding : 21-10-2000>
(Voor de in artikel 1, eerste lid, 2°,
bedoelde vreemdelingen bepaalt de Koning, naast de in het eerste lid bedoelde
inlichtingen, welke gegevens betreffende hun administratieve toestand moeten
worden vermeld. Hij bepaalt eveneens welke overheden gemachtigd zijn deze
inlichtingen in het wachtregister via het Rijksregister van de natuurlijke
personen in te voeren.) <W 1994-05-24/39, art. 3, 004; Inwerkingtreding : 01-02-1995>
Binnen die grenzen bepaalt de Koning de aard van deze
informatiegegevens. Hij stelt tevens de regels vast volgens welke voormelde
informatiegegevens meegedeeld kunnen worden aan derden.
Art. 2bis. <Ingevoegd bij W 1994-05-24/39,
art. 4; Inwerkingtreding : 01-02-1995> De vreemdelingen die zijn
ingeschreven in het in artikel 1, eerste lid, 2°,
bedoelde wachtregister worden niet meegeteld, noch voor het bepalen van het
jaarlijkse bevolkingscijfer van de gemeente, noch voor het vaststellen van de
resultaten van de tienjaarlijkse volkstelling bedoeld in artikel 9 van de wet
van 4 juli 1962 betreffende de openbare statistiek, noch voor elke andere
vastlegging van het bevolkingscijfer krachtens een wet uitgevaardigd ter
uitvoering van artikel 63, § 3 (vroeger artikel 49, § 3) van de Grondwet.
Art. 3. De hoofdverblijfplaats is de plaats waar
de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld
gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap
verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft.
De Koning stelt de aanvullende regels vast voor het bepalen van
het hoofdverblijf (en het referentieadres). <W 1997-01-24/36, art. 3, 005;
Inwerkingtreding : 16-03-1997>
Art. 4. De Minister tot wiens
bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, organiseert de inspectie van de
bevolkingsregisters.
Art. 5. De verandering van hoofdverblijf van de
Belg, de vestiging of de verandering van hoofdverblijf van de vreemdeling in
België worden vastgesteld door een aangifte die is gedaan in de vorm en
binnen de termijnen voorgeschreven door de Koning, en overeenkomstig
de gemeentelijke verordeningen die ter zake zijn vastgesteld.
Art. 6. <W 2003-03-25/30, art. 14, 009; Inwerkingtreding : 07-04-2003> § 1. De gemeente geeft
aan de Belgen en aan de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om
zich in het Rijk te vestigen een identiteitskaart die geldt als bewijs van
inschrijving in de bevolkingsregisters.
(De gemeente kan De Post NV van publiek recht machtigen tot het
afgeven van identiteitskaarten volgens de nadere regels vastgesteld door de
Koning. Voor de uitvoering van deze taak heeft De Post NV van publiek recht :
1° toegang tot enkel die gegevens van het Rijksregister van de
natuurlijke personen, ingesteld door de wet van 8 augustus 1983 tot regeling
van een Rijksregister van de natuurlijke personen, die overeenkomstig
§ 2, tweede en derde lid, op de identiteitskaart dienen te staan;
2° het recht om het identificatienummer van het Rijksregister te
gebruiken;
3° toegang tot het Register van de Identiteitskaarten, bedoeld in
artikel 6bis.
De gegevens verkregen door De Post NV van publiek recht in
toepassing van het eerste lid mogen enkel worden gebruikt voor de afgifte van
identiteitskaarten als bedoeld in dit artikel.
Voor de uitvoering van de in het tweede lid vermelde taak
ontvangt De Post NV van publiek recht een vergoeding ten laste van de
federale overheid. De Koning bepaalt de nadere regels met betrekking tot de
uitvoering en de vergoeding van deze taak, waarbij wordt voorzien in een
overeenkomst af te sluiten tussen de Belgische Staat en De Post NV van
publiek recht.) <W 2003-08-05/31, art. 37, 010; Inwerkingtreding : 17-08-2003>
Op de voorzijde van de identiteitskaart die bedoeld wordt
in het eerste lid, wordt in het bovenste gedeelte daarvan, enerzijds het
woord " België " en anderzijds de woorden " identiteitskaart
", " verblijfskaart voor vreemdeling ", of "
identiteitskaart voor vreemdeling " aangebracht, naar gelang van het
geval de houder van de kaart respectievelijk de hoedanigheid heeft van Belg,
onderdaan is van een Staat die lid is van de Europese Unie of van de Europese
Economische Ruimte of geen onderdaan is van een lidstaat van deze Unie of
deze Ruimte.
De in het voorgaande lid bedoelde woorden worden op de
identiteitskaart eerst gedrukt in de taal van de gemeente die het document
afgeeft of in de taal die de houder kiest uit de talen waarvan het gebruik
wordt toegestaan in de gemeenten die genoemd worden in de artikelen 6 tot 8
van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op
18 juli 1966, en vervolgens in de twee andere landstalen en in het Engels.
De titels van de rubrieken waaronder op de identiteitskaart de
persoonlijke gegevens aangebracht worden die specifiek zijn voor de houder,
komen in de eerste plaats voor in de taal van de gemeente die het document
afgeeft, of in de taal die de houder kiest, volgens het onderscheid dat wordt
gemaakt in het voorgaande lid, en vervolgens in het Engels.
§ 2. (De identiteitskaart bevat, naast de handtekening van de
houder, hetzij de handtekening van de gemeenteambtenaar die de kaart
aflevert, hetzij, wanneer de kaart wordt afgeleverd door De Post NV van
publiek recht, deze van de persoon van deze onderneming daartoe gemachtigd overeenkomstig de nadere regels vastgesteld bij het
koninklijk besluit, bedoeld in § 1, tweede lid. Zij bevat bovendien
persoonsgegevens die zowel met het blote oog zichtbaar zijn als op
elektronische wijze leesbaar zijn.) <W 2003-08-05/31, art. 37, 010;
Inwerkingtreding : 17-08-2003>
De zowel met het blote oog zichtbare als elektronisch leesbare
gegevens van persoonlijke aard betreffen :
1° de naam;
2° de twee eerste voornamen;
3° de eerste letter van de derde voornaam;
4° de nationaliteit;
5° de geboorteplaats- en datum;
6° het geslacht;
7° de plaats van afgifte van de kaart;
8° de begin- en einddatum van geldigheid van de kaart;
9° de benaming en het nummer van de kaart;
10° de foto van de houder;
11° (...); <W 2004-07-09/30, art. 95, 011; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
12° het identificatienummer van het Rijksregister.
De elektronisch leesbare gegevens van persoonlijke aard betreffen
:
1° de identiteits- en
handtekeningsleutels;
2° de identiteits- en
handtekeningcertificaten;
3° de geaccrediteerde certificatiedienstverlener;
4° de informatie nodig voor de authentificatie
van de kaart en voor de beveiliging van de elektronisch leesbare gegevens
voorkomend op de kaart en voor het gebruik van de bijhorende gekwalificeerde
certificaten;
5° de andere vermeldingen, opgelegd door de wetten;
6° de hoofdverblijfplaats van de houder.
De houder van de kaart kan desgewenst afzien van de activering
van de onder 1° tot 3° van het vorige lid vermelde gegevens.
§ 3. De houder van de kaart kan, via deze kaart of bij de
gemeente waar hij in de bevolkingsregisters ingeschreven is, steeds inzage
vragen van de gegevens die op elektronische wijze opgeslagen zijn op de kaart
of via de kaart toegankelijk zijn en heeft het recht op verbetering van zijn
persoonsgegevens die niet op nauwkeurige, volledige en juiste wijze zouden
opgenomen zijn op de kaart.
De houder van de kaart heeft, via deze kaart of bij de gemeente
waar hij in de bevolkingsregisters ingeschreven is, recht op :
1° inzage van de hem betreffende informatiegegevens die zijn
opgenomen in het bevolkingsregister of in het Rijksregister van de
natuurlijke personen;
2° verbetering van deze gegevens welke niet op nauwkeurige,
volledige en juiste wijze zijn opgenomen;
3° kennisname van alle overheden, instellingen en personen die,
gedurende de laatste zes maanden, zijn gegevens bij het bevolkingsregister of
het Rijksregister van de natuurlijke personen hebben geraadpleegd of
bijgewerkt, met uitzondering van de bestuurlijke en gerechtelijke overheden
die belast zijn met de opsporing en bestraffing van misdrijven (alsmede van de Veiligheid van de Staat en de Algemene
Dienst inlichting en veiligheid van de Krijgsmacht.) <W 2004-07-09/30, art.
95, 011; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van het in het
vorige lid, 3°, vermelde recht op kennisname,
alsmede de wijze waarop het in de vorige leden bedoelde inzage- en
verbeteringsrecht, evenals de kennisname, worden geregeld.
(NOTE : Inwerkingtreding van artikel 6, § 3, lid 2, 3°, vastgesteld op 28-02-2005 bij KB 2005-02-13/34, art.
1)
§ 4. Elke geautomatiseerde controle van de
identiteitskaart door optische of andere leesprocédés moet het voorwerp uitmaken
van een koninklijk besluit, na advies van het sectoraal comité van het Rijksregister
bedoeld in artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een
Rijksregister van de natuurlijke personen.
§ 5. De federale overheid stelt de technische apparatuur nodig
voor de elektronische identiteitskaart ter beschikking van de gemeente, die
er eigenaar van wordt. De gemeente staat in voor de opslag en het onderhoud
van de apparatuur.
De Koning kan een vergoeding vaststellen voor het opnemen van het
identiteits- en handtekeningscertificaat
op de kaart. De kosten voor het initiële identiteits-
en handtekeningscertificaat kunnen geheel of
gedeeltelijk ten laste worden genomen door de federale overheid.
De geaccrediteerde certificatiedienstverlener heeft, uitsluitend
voor de taken die hij verricht binnen het kader van deze wet, toegang tot de
informatiegegevens vermeld in artikel 3, eerste lid, 1° en 5°, van de wet van
8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke
personen. Hij heeft binnen dit kader eveneens het recht het
identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken.
§ 6. De identiteitskaart blijft maximum vijf jaar geldig vanaf de
datum van afgifte.
§ 7. De Koning bepaalt, na advies van de Commissie voor de bescherming
van de persoonlijke levenssfeer, ingesteld bij de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de
verwerking van persoonsgegevens, de vorm en de modaliteiten van aanmaak,
afgifte en gebruik van de identiteitskaart.
Hij stelt de leeftijd vast vanaf welke men
verplicht is de identiteitskaart te bezitten en bij zich te hebben, alsook
het maximumbedrag dat ten laste van de houder mag worden geïnd bij de afgifte
van de kaart. Hij bepaalt ook welke de openbare overheden en ambtenaren zijn
op wier vordering de identiteitskaart moet worden getoond.
Het gekwalificeerd handtekeningscertificaat
wordt op de identiteitskaart niet geactiveerd voor de personen die
overeenkomstig de vigerende wetgeving niet handelingsbekwaam zijn.
§ 8. De kosten voor de aanmaak van identiteitskaarten worden door
de Minister van Binnenlandse Zaken ingevorderd bij wege
van ambtshalve voorafnemingen op de rekening die op naam van de gemeenten
geopend is bij een kredietinstelling die, naar gelang van het geval, voldoet
aan de artikelen 7, 65 of 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van
en toezicht op de kredietinstellingen.
§ 9. De Koning kan, na advies van het sectoraal comité van het Rijksregister
bedoeld in artikel 15 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een
Rijksregister van de natuurlijke personen, de toepassing van de bepalingen
van de §§ 1 tot 8 uitbreiden tot de verblijfsvergunningen afgegeven aan de
vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven.
Art. 6bis. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30,
art. 15; Inwerkingtreding : 07-04-2003> § 1. Bij
het Rijksregister van de natuurlijke personen, ingesteld bij de Federale
Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, wordt een centraal bestand van de
identiteitskaarten, gehouden. Dit bestand draagt de naam " Register van
de Identiteitskaarten " en bevat de volgende gegevens :
1° voor iedere houder : het identificatienummer van het
Rijksregister van de natuurlijke personen, de gevraagde taal voor de uitgifte
van de identiteitskaart en het volgnummer van de kaart;
2° voor elke uitgegeven identiteitskaart :
a) de datum van aanvraag met aansluitend de datum van uitgifte
van het basisdocument, de datum van uitgifte, de vervaldatum en in voorkomend
geval de datum van vernietiging;
b) de datum van uitreiking en de gemeente die ze uitgereikt
heeft;
c) het volgnummer van de kaart;
d) het sequentienummer (eerste, tweede, derde kaart,
enz.);
e) de informatie waaruit blijkt dat de kaart geldig, vervallen of
vernietigd is en, in dat geval, de reden;
f) het type van identiteitskaart;
g) de aanwijzing van het bestaan of de afwezigheid van de functie
" elektronische handtekening ";
h) de datum van de laatste bijwerking;
i) de datum van de laatste bijwerking betreffende de
hoofdverblijfplaats.
§ 2. De gemeenten, door bemiddeling van het Rijksregister,
enerzijds, en de met de aanmaak van de identiteitskaarten belaste
onderneming, en de geaccrediteerde certificatiedienstverlener anderzijds,
zenden aan de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken - Algemene Directie
van de Instellingen en van de Bevolking - de informaties die nodig zijn om
het onder § 1 bedoeld bestand bij te werken.
§ 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in
de Ministerraad, en na advies van de Commissie voor de bescherming van de
persoonlijke levenssfeer, ingesteld bij de wet van 8 december 1992
tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de
verwerking van persoonsgegevens, wie toegang heeft tot dit bestand.
Art. 6ter. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30,
art. 16; Inwerkingtreding : 07-04-2003> In geval
van verlies, diefstal of vernieling van de elektronische identiteitskaart
doet de houder tijdens de kantooruren aangifte bij het gemeentebestuur. Het gemeentebestuur
levert een attest af van verlies, diefstal of vernieling van de
identiteitskaart. In geval van diefstal kan de houder bovendien klacht
indienen bij de politie. De gemeente geeft de certificatiedienstverlener via
het Rijksregister de opdracht de elektronische functie van de
identiteitskaart te schorsen of in te trekken.
In geval van verlies, diefstal of vernieling van de elektronische
identiteitskaart buiten de kantooruren doet de houder aangifte bij de
helpdesk van het Rijksregister van de natuurlijke personen. De houder kan na
deze aangifte bij het gemeentebestuur een attest bekomen
van verlies, diefstal of vernieling van de identiteitskaart. Hij kan in geval
van diefstal bovendien klacht indienen bij de politie. De helpdesk schorst de
elektronische functie van de identiteitskaart of trekt ze in. De helpdesk is
permanent operationeel.
De schorsing houdt in dat de elektronische functie van de
identiteitskaart tijdelijk buiten werking wordt gesteld. De intrekking houdt
in dat de elektronische functie van de identiteitskaart definitief buiten
werking wordt gesteld.
De Koning bepaalt de nadere regeling inzake
de werking van de helpdesk en van de schorsing of intrekking van de verloren,
gestolen of vernietigde identiteitskaart.
Art.
6quater. <Ingevoegd bij W 2003-03-25/30,
art. 17; Inwerkingtreding : 07-04-2003> Alle
personen die bij het uitoefenen van hun functies in de inzameling, de
verwerking of de mededeling van de informatiegegevens tussenkomen, zijn
gehouden tot het beroepsgeheim. Bovendien moeten zij alles in het werk
stellen om de gegevens bij te houden, de onjuiste gegevens te verbeteren en
de gegevens die vervallen zijn of door onwettige of frauduleuze middelen bekomen werden, te schrappen.
Zij moeten alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen ten einde de
veiligheid van de opgenomen gegevens te verzekeren en te beletten in het
bijzonder dat zij vervormd of beschadigd worden of medegedeeld worden aan
personen die geen machtiging hebben gekregen om inzage ervan te nemen.
Zij moeten zich vergewissen van het geëigende karakter van de
programma's die voor de automatische verwerking van de gegevens dienen,
alsook van de rechtmatigheid van de toepassing ervan.
Zij moeten waken op de rechtmatigheid van de mededeling der
gegevens.
Art. 6quinquies. <Ingevoegd bij W
2003-03-25/30, art. 18; Inwerkingtreding :
07-04-2003> De Koning kan de normen en functionele en technische
specificaties vastleggen waaraan de apparatuur en de toepassingen dienen te
voldoen die het uitlezen en het bijwerken van de elektronisch op de
identiteitskaart opgeslagen gegevens mogelijk maakt. Hij kan tevens de
publiciteit, de verkoop, de aankoop, de verhuring, het bezit en de overdracht
van deze apparatuur en toepassingen reglementeren.
Art. 7. De overtredingen van de voorgaande
artikelen, van de besluiten tot uitvoering ervan en van de in artikel 5
bedoelde gemeentelijke verordeningen worden gestraft met een geldboete en
zesentwintig tot vijfhonderd frank.
De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, hoofdstuk
VII en artikel 85 niet uitgezonderd, zijn op die overtredingen van
toepassing.
Art. 8. § 1. Bij moeilijkheden of betwistingen in
verband met het hoofdverblijf, bepaalt de Minister tot wiens
bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort, de plaats ervan, na zo nodig een
onderzoek ter plaatse te hebben laten uitvoeren.
De Minister kan de hem bij het eerste lid toevertrouwde
bevoegdheden overdragen aan de ambtenaar die de leiding heeft van het bestuur
dat bevoegd is voor de bevolking.
Indien de plaats waar hij woont bekend is,
worden de persoon van wie de inschrijving in de bevolkingsregisters moet
worden geregulariseerd, en eventueel zijn wettelijke vertegenwoordiger en de
betrokken gemeente(n), daarvan bij een ter post aangetekende brief op de
hoogte gesteld, om hun de mogelijkheid te geven hun eventuele opmerkingen of
verweermiddelen binnen vijftien dagen na deze kennisgeving te doen gelden. Deze
personen, alsook de vertegenwoordiger van de betrokken gemeente(n) worden op
hun verzoek gehoord door de Minister of, indien deze van zijn delegatierecht
gebruik gemaakt heeft, door de ambtenaar die gedelegeerd is om de beslissing
te nemen.
Wanneer die termijn verstreken is, neemt de Minister of zijn
gemachtigde een beslissing.
Ingeval uit dat onderzoek blijkt dat de betrokken persoon zijn
laatste bekende adres heeft verlaten zonder daarvan de vereiste aangifte te
doen en dat de plaats waar hij zich gevestigd heeft niet gevonden kan worden,
wordt hij ambtshalve van de bevolkingsregisters afgevoerd.
§ 2. De behoorlijk met redenen omklede beslissing van de Minister
of zijn gemachtigde wordt bij een ter post aangetekende brief betekend aan de
betrokken gemeentebesturen. Deze doen ambtshalve de
inschrijvingen en afvoeringen die hun worden opgelegd zodra de beslissing hun
bekend is. Zij geven onverwijld, bij een ter post
aangetekende brief, aan de betrokken personen, aan de Minister of zijn
gemachtigde, kennis van de uitvoering van de beslissing. De gemeente die de
inschrijving verricht, laat in voorkomend geval de identiteitskaart vervangen
of wijzigen van de betrokken persoon, die daartoe wordt verzocht zich bij de
bevolkingsdienst van de gemeente aan te melden.
§ 3. Na twee opeenvolgende, uit de briefwisseling blijkende
waarschuwingen kan de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken
behoort één of meer commissarissen gelasten zich ter plaatse te begeven op kosten van de gemeenteoverheden die verzuimd
hebben aan de waarschuwingen gevolg te geven, ten einde de maatregelen te
treffen die nodig zijn voor de uitvoering van de beslissingen aangaande het
bepalen van het hoofdverblijf.
De invordering van de kosten geschiedt, zoals inzake
directe belastingen, nadat de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse
Zaken behoort, het bevelschrift uitvoerbaar heeft verklaard.
HOOFDSTUK II.
- Wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister
van de natuurlijke personen.
Art. 9. <Wijzigingsbepaling van artikel 5,
tweede lid van de W van 1983-08-08/36>
HOOFDSTUK III.
- Opheffingsbepalingen.
Art. 10. Opgeheven worden :
1° artikel 1, 11°, van het decreet van 7
messidor jaar II " concernant
l'organisation des archives
établies auprès de la représentation nationale ";
2° de wet van 2 juni 1856 op de bevolkingsregisters, gewijzigd
bij de wet van 4 juli 1962 en bij de wet van 1 augustus 1985;
3° artikel 7 van de wet van 14 juli 1951 houdende machtiging tot
regularisaties, verhoging en vermindering van sommige voor het dienstjaar
1950 uitgetrokken kredieten, zomede toekenning van bijkredieten voor de
uitgaven met betrekking tot 1949 en de vorige dienstjaren.
|